De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van Nederland. De Afdeling advisering houdt ook onafhankelijk toezicht over de Europese begrotingsregels. Verder toetst de Afdeling advisering het klimaatbeleid van de regering op basis van de Klimaatwet die vanaf september 2019 geldt.
De taken en werkwijze van de Raad van State zijn vastgelegd in de Grondwet en in de Wet op de Raad van State. De Raad van State heeft twee Afdelingen: de Afdeling advisering en de Afdeling bestuursrechtspraak.”
De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van Nederland. De Afdeling advisering houdt ook onafhankelijk toezicht over de Europese begrotingsregels. Verder toetst de Afdeling advisering het klimaatbeleid van de regering op basis van de Klimaatwet die vanaf september 2019 geldt.
De taken en werkwijze van de Raad van State zijn vastgelegd in de Grondwet en in de Wet op de Raad van State. De Raad van State heeft twee Afdelingen: de Afdeling advisering en de Afdeling bestuursrechtspraak.
Waar staat de Raad van State voor?
De Raad van State draagt als adviseur voor wetgever en bestuur en als hoogste algemene bestuursrechter bij aan het behoud en de versterking van de democratische rechtsstaat. Daarbinnen staat de Raad van State voor eenheid, legitimiteit en kwaliteit van het openbaar bestuur en voor rechtsbescherming van de burger.
Samenstelling Raad van State
Koning Willem-Alexander is Voorzitter van de Raad van State. De dagelijkse leiding ligt bij de vice-president, op dit moment is dat mr. Thom de Graaf. Naast de vice-president bestaat de Raad van State uit maximaal tien leden. In de Afdelingen advisering en bestuursrechtspraak van de Raad van State werken naast leden ook staatsraden en staatsraden in buitengewone dienst. De Raad van State telt op dit moment ruim 60 staatsraden. Het aantal leden en staatsraden dat in de beide Afdelingen tegelijkertijd werkzaam is, is in de wet beperkt tot maximaal tien. Koningin Máxima is geen lid, maar heeft zitting in de Raad van State en in de Afdeling advisering. Prinses Amalia heeft vanaf 7 december 2021 toen zij 18 jaar werd, ‘van rechtswege’ zitting in de Raad van State en in de Afdeling advisering. Dat is geregeld in de Grondwet. Leden van het Koninklijk Huis die zitting hebben in de Raad van State mogen aan de beraadslagingen in de Raad en in de Afdeling advisering deelnemen, maar hebben geen stemrecht.
Afdeling advisering van de Raad van State
De regering is volgens de wet verplicht om aan de Afdeling advisering advies te vragen over:
Wetsvoorstellen die de regering naar de Staten-Generaal stuurt;
Initiatiefwetsvoorstellen van één of meer leden van de Tweede Kamer.
Verder kan de Afdeling advisering op verzoek van de regering, de Eerste en Tweede Kamer zogenoemde voorlichting geven over algemene zaken die betrekking hebben op wetgeving en bestuur. Ten slotte kan de Afdeling advisering ook ongevraagd advies geven aan regering en parlement, dus zonder dat er een concreet wetsvoorstel voorligt.
De Afdeling advisering is verdeeld in vier secties, die ieder de (wets)voorstellen van drie of vier ministeries behandelen en voorbereiden. Elke woensdag komen alle leden van de Afdeling advisering bij elkaar om te vergaderen over de wetgevingsadviezen.
Raad van State van het Koninkrijk
Op basis van het Statuut voor het Koninkrijk treedt de Afdeling advisering van de Raad van State ook op als Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk. Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben elk een staatsraad aangewezen die bij koninkrijkszaken deelneemt aan de adviserende taak van de Raad. De zaken bij de Raad van State van het Koninkrijk gaan dus over wetgeving en regels die alle landen binnen het Koninkrijk raken. Denk hierbij aan rijkswetten, algemene maatregelen van rijksbestuur en rijksverdragen.
Begrotingstoezicht
De Afdeling advisering van de Raad van State houdt ook onafhankelijk toezicht op de naleving van begrotingsregels die in Europa zijn afgesproken. De Afdeling advisering toetst of de ontwerpbegroting voldoet aan de Europese begrotingsafspraken. Deze toetsende rol moet niet worden verward met het traditionele advies over de Miljoenennota dat de Raad van State al meer dan honderd jaar uitbrengt.
Toetsing Klimaatwet
Op 1 september 2019 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State er nog een taak bijgekregen. Op dat moment trad de Klimaatwet in werking. Daarin is bepaald dat de Afdeling advisering toetst of de regering met het Klimaatplan, de Klimaatnota en de Voortgangsrapportage kan voldoen aan de klimaatdoelstellingen die de Klimaatwet stelt.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
De Afdeling bestuursrechtspraak is de hoogste, algemene bestuursrechter in Nederland. Dat betekent dat zij het hoogste rechterlijke college is dat een uitspraak kan doen over een geschil tussen burger en de overheid. Als overheden onderling een geschil hebben (bijvoorbeeld een gemeente en een provincie), doet de Afdeling bestuursrechtspraak hierover ook een uitspraak.
Een burger die het niet eens is met een beslissing van een gemeente, een provincie, een waterschap of de centrale overheid kan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Het gaat dan bijvoorbeeld om geschillen op het gebied van het milieu of de ruimtelijke ordening.
In een geschil over andere beslissingen en maatregelen (zoals omgevingsvergunningen, subsidies, onderwijsbesluiten, vreemdelingenzaken) moet een burger eerst in beroep bij rechtbank. Na een uitspraak van de rechtbank kunnen de burger en het overheidsorgaan nog in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Europese Vereniging Raden van State
De Nederlandse Raad van State is lid van de Vereniging van Raden van State en de hoogste bestuursrechtelijke rechtscolleges van de landen van de Europese Unie. Deze vereniging heeft een eigen website(opent in nieuw venster) (verwijst naar een andere website). Hierop staat informatie over haar activiteiten en zijn documentatiesystemen opgenomen.
(*) Bij onteigeningsbesluiten toetst de Afdeling advisering onder meer de volgende elementen: de grondslag van de onteigening, het verzoek, stukken in het onteigeningsdossier, formele punten (belanghebbendheid, publicatievereisten), inhoudelijke punten (publiek belang, urgentie, noodzaak), de zienswijzen van belanghebbenden en of en hoe er minnelijk overleg is geweest.
UIT
WEBSITE RAAD VAN STATE
https://www.raadvanstate.nl
Reacties uitgeschakeld voor NOTEN 44 EN 45/WEES PARAAT!
Nog geen drie maanden na haar aantreden als minister van Asiel en Migratie ligt Marjolein Faber op ramkoers met de rechtsstaat. Op 13 september kondigde Faber aan dat ze een asielcrisis wil uitroepen om gebruik te kunnen maken van het noodrecht van de Vreemdelingenwet. Op grond van dit noodrecht kan Faber het recht op gezinshereniging beperken en asielverlening voor onbeperkte duur beëindigen om zo vorm te geven aan ‘het strengste asielbeleid ooit’.
Een staatsnoodrechtelijk perspectief op dit voornemen is geboden. Kan dit zomaar? Is het staatsnoodrecht hiervoor bedoeld? Hebben de Tweede Kamer en de rechter hier nog iets over te zeggen? Wat leert de staatsnoodrechtelijke geschiedenis ons over dit soort kunstgrepen?
Allereerst iets over het doel en het belang van het staatsnoodrecht, gevolgd door enkele voorbeelden van misbruik van noodrecht. Daarna ga ik in de op de kwestie zelf.
Het doel van het staatsnoodrecht is de bescherming van de democratische rechtsstaat tegen bestuurlijk machtsmisbruik in tijden van nood. Wie aanvaardt dat de kerntaak van de staat het bieden van veiligheid is aanvaardt dat het bestuur het voorrecht (prerogatief) toekomt om in geval van nood naar eigen inzicht te beoordelen hoe die veiligheid het beste kan worden geboden. Dit prerogatief wordt in onze moderne democratische rechtsstaat met enig argwaan bekeken: het kan de rechtszekerheid ondermijnen, werkt machtsmisbruik in de hand, doorbreekt het beginsel van checks and balances enzovoorts. Die argwaan is terecht, want er zijn genoeg voorbeelden waarin de toepassing van noodrecht uit is gelopen op een langdurige of permanente wijziging van normaal recht en schending van (grond)rechten. Denk bijvoorbeeld aan de Patriot Act, die de Amerikaanse overheid na 9/11 meer dan een decennium in staat stelde om haar burgers onbegrensd af te luisteren, of het langdurig gebruik van noodrecht om autoritaire regimes te stutten zoals de Egyptische president Moebarak en zijn Nationaal Democratische Partij dertig jaar lang hebben gedaan. Tenslotte is het veelvuldige gebruik van noodrecht in de vooroorlogse Weimar-republiek een voor de hand liggend voorbeeld van het ontwrichtende effect dat misbruik van noodrecht op een democratische rechtsstaat kan hebben.
Wanneer direct na het aantreden van een ‘extraparlementair’ kabinet dat gekenmerkt wordt door een radicaal-rechtse meerderheid en interne onenigheid, blijk wordt gegeven van opportuun gebruik van noodrecht om beleid te kunnen doorvoeren, dienen we waakzaam en scherp te zijn.
Hoe doen we dat? Door de Kamer en de rechter aan het werk te zetten. Zij zullen zich moeten bekwamen in de werking van het staatsnoodrecht om er voor zorgen dat het op de juiste manier wordt begrepen en toegepast zodat het kan doen wat het moet doen: de democratische rechtsstaat beschermen. Daarbij zijn de onderstaande punten van belang. Ik werk deze punten eerst kort uit; daarna verbind ik ze met het ministeriële voornemen om een asielcrisis uit te roepen teneinde noodrecht te kunnen gebruiken en buitenwettelijk asielbeleid te forceren.
Ten eerste geldt dat het staatsnoodrecht materieel gezien draait om het begrip ‘buitengewone omstandigheden’. Dit begrip is de juridische definitie van nood (vlg. HR 18 maart 2022, Avondklok-arrest). Er is sprake van een buitengewone omstandigheid als aan twee criteria is voldaan: 1) er is sprake van een bedreiging van een vitaal belang, en 2) normaalrechtelijke bevoegdheden volstaan niet om deze bedreiging af te wenden.
Ten tweede geldt dat het staatsnoodrecht procedureel gezien op verschillende manieren kan worden toegepast, namelijk – kort gezegd – middels inwerkingstelling bij koninklijk besluit of vormvrij. Toepassing van inwerking te stellen noodrecht vereist dat de regering een koninklijk besluit neemt op grond waarvan de benodigde noodregeling in werking wordt gesteld. Als dit besluit is genomen, wordt onverwijld een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van het noodrecht dat bij het koninklijk besluit in werking is gesteld. Als de Staten-Generaal het wetsvoorstel verwerpen, wordt het betreffende noodrecht onverwijld buiten werking gesteld.
Ten derde was het uitgangspunt in de staatsnoodrechtelijke jurisprudentie dat het bestaan van de nood en de juistheid van de gekozen noodmaatregel een kwestie van beleid is. De rechter kon een noodmaatregel alleen verbindende kracht ontzeggen indien de noodzaak van de noodmaatregel niet aanwezig kon zijn geweest (HR 30 oktober 1946, NJ 1946, 737). Naar de moderne opvatting van de rechterlijke evenredigheidtoets zal de rechter echter ook de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de noodmaatregel in zijn toets moeten betrekken (ABRvS, ECLI:NL:RVS:2022:285).
In deze zaak betekent een en ander concreet het volgende.
Het noodrecht van art. 110 Vreemdelingenrecht, waar de minister zich onder meer op beroept voor haar maatregelen, is in werking te stellen noodrecht. Daardoor is er eerst een koninklijk besluit van de regering nodig waarin staat dat het met oog op de asielcrisis noodzakelijk is om te beschikken over de buitengewone bevoegdheid om het recht op gezinshereniging te beperken en asielverlening voor onbeperkte duur te beëindigen. Ook zal daarin worden vermeld dat het noodzakelijk is dat om die reden art. 111 Vreemdelingenwet in werking wordt gesteld. Art. 111 Vreemdelingenwet bepaalt dat voor het geval van buitengewone omstandigheden bij AMvB regels kunnen worden gesteld die afwijken van hfd. 1 t/m 7 Vreemdelingenwet. Voor de goede orde: dat betreft nagenoeg de hele Vreemdelingenwet, op hfd. 8 (algemene en strafbepalingen) en hfd. 9 (overgangs- en slotbepalingen) na. Dat heeft de bedenkelijke consequentie dat wanneer er op grond van art. 111 Vreemdelingenwet noodrecht wordt toegepast, in het geheel niet meer hoeft te worden aangesloten bij het kader van de Vreemdelingenwet. Dat is opmerkelijk en uitzonderlijk, want het is heel goed mogelijk en gebruikelijk om in noodregelgeving te preciseren van welke bepalingen afgeweken kan worden zonder meteen de hele wet zelf overboord te gooien. In het kader van de huidige moderniseringsexercitie van het staatsnoodrecht die door het ministerie van Justitie en Veiligheid is geïnitieerd, verdient het aanbeveling om hier nog eens goed naar te kijken.
Wanneer het koninklijk besluit is genomen moet onverwijld een wetsvoorstel over het voortduren van de inwerkingstelling van art. 111 Vreemdelingenwet naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Er is geen jurisprudentie over wat ‘onverwijld’ inhoudt en uit de wetgevingsgeschiedenis van de invoeringswet Coördinatiewet uitzonderingstoestanden blijkt geen verduidelijking. Het betekent in ieder geval niet per definitie ‘gelijktijdig’- en dat is in dit verband zorgelijk. Als de minister betoogt dat ‘onverwijld’ een bepaalde duur vergt, een paar dagen bijvoorbeeld, kunnen er intussen allerhande, mogelijk niet terug te draaien maatregelen genomen worden omdat alle voorschriften van de Vreemdelingenwet buiten spel zijn gezet. De Tweede Kamer dient er dus op te hameren dat het wetsvoorstel wordt ingediend overeenkomstig de termijn die zij relateert aan het begrip ‘onverwijld’.
Dan de essentiële vraag of er juridisch sprake is van een buitengewone omstandigheid. De buitengewone omstandigheid is de toepassingsdrempel van het staatsnoodrecht: alleen wanneer sprake is van een bedreiging van een vitaal belang en ontoereikendheid van normale bevoegdheden, kan noodrecht worden uitgeoefend. De vitale belangen die in het Nederlandse veiligheidsbeleid worden onderscheiden zijn de economische veiligheid, territoriale veiligheid, internationale rechtsorde en stabiliteit, sociale en politieke stabiliteit, ecologische veiligheid en fysieke veiligheid.
De minister zal dus moeten motiveren welk vitaal belang bedreigd wordt door gezinshereniging en asielverlening. Dat is vooralsnog niet duidelijk. De minister zal de bedreiging niet alleen moeten concretiseren om de Tweede Kamer te overtuigen, maar ook om aan te tonen dat het normale recht niet volstaat om de asielcrisis te bezweren. Daarbij is niet relevant of de dreiging voorzien of onvoorzien is, zoals recentelijk is beweerd – integendeel. Dit stel ik hier expliciet omdat ook voorziene noodsituaties waarop de wetgever om welke reden dan ook niet met wetgeving heeft geanticipeerd, een buitengewone omstandigheid kunnen vormen. Geen enkele situatie kan van het begrip buitengewone omstandigheid worden uitgesloten. Dat biedt nu juist de juridische flexibiliteit die de wetgever in 1997 bewust heeft gezocht bij de totstandkoming van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, die uitvoering geeft aan het constitutionele noodrecht van art. 103 Grondwet en daarmee het geraamte van het staatsnoodrechtelijke bestel vorm geeft. De staatsnoodrechtelijke vraag is dus niet of de noodsituatie voorzienbaar was en de overheid hier op opportunistische wijze haar eigen crisis creëert, maar of de noodsituatie een vitaal belang bedreigt, én of deze bedreiging kan worden afgewend met normale bevoegdheden.
Dit brengt mij bij het tweede criterium van de buitengewone omstandigheid: de ontoereikendheid van normale bevoegdheden. Anders gezegd: biedt het normale recht bevoegdheden om gezinshereniging te beperken en asielverlening te beëindigen? Let wel: het normale recht betreft niet alleen de Vreemdelingenwet, maar ook andere wet- en regelgeving, waaronder de wetgevingsprocedure van de Grondwet die het mogelijk maakt voor de wetgever om al dan niet op grond van delegatie bestaande wet- en regelgeving te wijzigen. We zullen moeten afwachten wat de asielcrisis volgens de minister precies inhoudt, maar m.i. kan in dit geval wel betoogd worden dat reguliere wijziging van de Vreemdelingenwet ook een manier is om tot strenger asielbeleid te komen.
De twee criteria van de buitengewone omstandigheid weerspiegelen het centrale uitgangspunt van het staatsnoodrecht: de toepassing van noodrecht moet altijd evenredig zijn. Het eerste criterium (de vraag naar het bestaan van de bedreiging van een vitaal belang) reflecteert de vraag naar proportionaliteit. Het tweede criterium (de vraag naar ontoereikendheid van normale bevoegdheden) reflecteert de vraag naar subsidiariteit. Indien beide vragen met ‘ja’ kunnen worden beantwoord, is de toepassing van noodrecht evenredig en dus rechtmatig. Moet één van de vragen met ‘nee’ worden beantwoord, is er geen sprake van een buitengewone omstandigheid en is toepassing van noodrecht onrechtmatig.
Zowel de Kamer als de rechter dienen de twee criteria van de buitengewone omstandigheid ten grondslag te leggen aan hun beoordeling van de rechtsstatelijkheid c.q. rechtmatigheid van de door het bestuur voorgelegde noodmaatregel – i.c. de gebruikmaking van het noodrecht van de Vreemdelingenwet. Daarbij geldt dat de Kamer meer ruimte heeft om het bestaan van de nood te betwisten dan de rechter. Het zwaartepunt ligt in eerste instantie dus bij de Kamer die minister Faber kritisch zal moeten bevragen op de aanwezigheid van de nood. Indien de Kamer niet overtuigd is van het bestaan van de nood, meer specifiek een bedreiging van een vitaal belang, zal ze het wetsvoorstel tot voortduren van de inwerkingstelling van art. 111 Vreemdelingenwet moeten afkeuren.
Als de Kamer dat niet doet, zal er ongetwijfeld een burger of instantie beroep aantekenen tegen een besluit dat uitvoering geeft aan de noodmaatregelen die minister Faber wil toepassen. Het is dan aan de rechter om de grondslag van dat besluit – te weten de inwerkingstelling van art. 111 Vreemdelingenwet – te toetsen op evenredigheid. In de eerder genoemde Avondklok-zaak hebben zowel het Hof als de Hoge Raad laten zien dat gedegen te doen.
De systematiek van het staatsnoodrecht heeft ten doel de democratische rechtsstaat te beschermen tegen bestuurders die in het noodrecht een uitgelezen kans lezen om parlementaire waarborgen te omzeilen en buitenwettelijk beleid door te voeren. De Tweede Kamer móet nu haar tanden laten zien. Als ze dat niet doet, lonkt bestuurlijk misbruik van een veelheid aan noodwetgeving op allerhande beleidsterreinen en loopt de democratische rechtsstaat gevaar.
Geboren op 16 juni 1960 in Amersfoort, getrouwd, 2 kinderen. Partij: PVV.
Nederland kan de asielinstroom niet meer aan. Als minister van Asiel en Migratie ga ik daarom de instroom van asielmigranten maximaal beperken door een streng en rechtvaardig asielbeleid.
Taken
Loopbaan
Opleiding
(Eerdere) partijpolitieke functies en nevenfuncties
Nederland kan de grote instroom van asielzoekers niet aan. Aanvragen kunnen niet tijdig worden verwerkt en de asielopvang zit overvol. De mensen die recht hebben op bescherming kunnen niet doorstromen en van de asielzoekers die niet mogen blijven, vertrekt een deel niet uit Nederland. Een deel van de asielzoekers veroorzaakt grote overlast. De kosten voor de asielopvang stijgen exponentieel door allerlei vormen van noodopvang. Kortom: het Nederlandse asielsysteem is in de huidige vorm onhoudbaar. Daarom zet dit kabinet in op een breed pakket aan maatregelen om het asielstelsel ingrijpend te hervormen, de instroom te beperken en de asielketen per direct te ontlasten. Waar nodig zet het kabinet in op het hervormen van (Europese) regels en internationale verdragen.
1. Activeren van de uitzonderingsbepaling van de Vreemdelingenwet 2000
Op basis van artikel 110 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt op voordracht van de minister-president zo spoedig mogelijk een koninklijk besluit vastgesteld, waarmee artikel 111 Vw in werking wordt gesteld. Dit biedt de regering de mogelijkheid voor het geval van buitengewone omstandigheden regels te stellen die afwijken van bepalingen uit de hoofdstukken 1 tot en met 7 Vw. Na de inwerkingstelling moet volgens artikel 110, tweede lid, een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer worden ingediend over het voortduren van de werking van art. 111 Vw. Dit voortduringswetsvoorstel wordt zo snel mogelijk voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Het kabinet vult vervolgens Algemene maatregelen van bestuur (amvb’s) met afwijkende regels. Het koninklijk besluit, het bijbehorende voortduringswetsvoorstel en de eerste amvb’s worden in 1 pakket voorgelegd aan de ministerraad, dragend gemotiveerd.
Voorbeelden van maatregelen die zich lenen om tijdelijk te worden geregeld in een amvb op basis van artikel 111 Vw zijn onder meer:
Het afschaffen van de asielvergunning voor onbepaalde tijd, vooruitlopend op structurele wijziging via het asielhervormingspakket;
Verruiming van de ongewenstverklaring om dit bij strafbare feiten vaker mogelijk te maken;
Schrappen van de voornemenprocedure;
Schrappen van de mogelijkheid tot nareis met meerderjarige kinderen;
Strengere toets nieuwe feiten en omstandigheden;
Verwijtbaarheidstoets bij opvolgende aanvragen;
Wettelijke mogelijkheid om aanvragen als kennelijk ongegrond af te wijzen als vreemdelingen niet op gehoor verschijnen.
2. Asielcrisiswet
Om geen tijd te verliezen start het kabinet tevens een traject voor een tijdelijke asielcrisiswet om de acute asielinstroom en opvangcrisis te bestrijden voor de duur van maximaal twee jaar, waarbij het kabinet eveneens maatregelen treft die buiten de bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 vallen, waaronder:
de intrekking van de spreidingswet;
het afdwingen van registratie;
het opschorten van de behandeling van asielaanvragen (asielbeslisstop);
het verder gedifferentieerd beperken en versoberen van opvang;
mensen zonder verblijfstitel zoveel mogelijk, ook gedwongen, uitzetten.
Waar mogelijk neemt het kabinet ook additionele maatregelen aan de grens. De nationale asielketen wordt versterkt door deze onder eenduidige regie van de eerstverantwoordelijke bewindspersoon te brengen.
3. Opt-outclausule voor het Europees asiel- en migratiebeleid
Het kabinet maakt zo snel mogelijk in Brussel kenbaar dat Nederland een opt-out van Europese asiel- en migratieregelgeving wil. Zo lang Nederland geen opt-out heeft is de implementatie van het Europees Asiel- en Migratiepact essentieel voor het beperken van de instroom in Nederland. Bovendien zal met gelijkgezinde en met omringende landen intensief worden samengewerkt om in tijden van een gezamenlijke crisis door instroom adequaat op te kunnen treden, in aanvulling op het structureel intensiveren van mobiel toezicht veiligheid (‘mini-Schengen’).
4. Asielhervormingspakket
A. Structurele hervormingen
Het kabinet start tevens meteen met een asielhervormingspakket. Zo werkt het kabinet aan tijdelijke én structurele hervorming van de wet- en regelgeving en het stelsel. Het doel is extra bevoegdheden en maatregelen in te zetten om de asielinstroom te beperken en de asiel- opvangcrisis te bestrijden. Het kabinet start wetstrajecten om tot een structurele hervorming van het asielstelsel te komen:
Dit kabinet voert een tweestatusstelsel in met strikte voorwaarden op het gebied van gezinshereniging en een zo smal mogelijke invulling van het kerngezin. De hoofdregel voor subsidiair beschermden wordt dat gezinshereniging alleen mogelijk is wanneer de referent woonruimte, een stabiel en toereikend inkomen heeft en wanneer hij minimaal 2 jaar een verblijfstatus heeft. Dit betekent een beperking van het aantal mensen dat recht heeft om in te reizen. Een wetsvoorstel hiertoe zal in het najaar aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden aangeboden.
Daarnaast schaft het kabinet de asielvergunning voor onbepaalde tijd af, zodat bij gewijzigde omstandigheden kan worden getoetst of bescherming nog noodzakelijk is of dat iemand weer terug kan naar het land van herkomst. Ook dit wetsvoorstel zal in het najaar aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden aangeboden. Ook de tijdsduur van de asielvergunning voor bepaalde tijd wordt aangepast.
Het asielhervormingspakket bestaat verder ook uit wijzigingen van amvb’s (met name het Vreemdelingenbesluit), beleidswijzigingen en wijzigingen van werkinstructies, waaronder het afschaffen van de gunstigere voorwaarden tot gezinshereniging voor jongvolwassenen, en het afschaffen van het verplichte aanmeldgehoor en de standaard rust- en voorbereidingstermijn in de asielprocedure. Zo wordt de IND in staat gesteld om maatwerk te bieden: rust- en voorbereidingstijd voor wie dat nodig heeft, en een supersnelle procedure voor wie naar alle waarschijnlijkheid geen recht heeft op asiel. Startpunt voor de uitvoering voor het asielhervormingspakket is dat asielverzoeken van asielzoekers met kansarme aanvragen en overlastgevers die al in Nederland zijn zo snel mogelijk worden afgewezen. Deze groepen zullen daartoe met voorrang worden behandeld door de IND waarbij op aparte locaties met een zo veel mogelijk versoberd en deels gesloten regime wordt opgevangen en bij afwijzing van de aanvraag aansluitend wordt ingezet op vertrek, waar nodig gedwongen. Omdat asielzoekers met een kansarme aanvraag sterk zijn oververtegenwoordigd in de overlastcijfers, zal met deze inzet de overlast naar verwachting sterk kunnen afnemen.
Vooruitlopend op de invoering van het EU Asiel- en Migratiepact neemt dit kabinet maatregelen om striktere voorwaarden te stellen aan komst, verblijf en nareis. Opvang en bescherming die Europeesrechtelijk verplicht is moet worden geboden, maar Nederland zal structureel behoren tot de categorie lidstaten met de strengste toelatingsregels in de EU. De bewijslast om aan te tonen dat recht op asiel bestaat wordt maximaal bij de asielzoeker gelegd, zodat het niet aan de IND is om aan te tonen dat iemand geen recht heeft om hier te blijven. De mogelijkheden voor de IND om dit te weerleggen worden verruimd, onder meer door het mogelijk maken om telefoons en andere gegevensdragers uit te lezen. Het gaat hier ook om locatiegegevens. De rechtsbijstand bij asielaanvragen wordt zo veel mogelijk beperkt. Zo wordt aan de groep waarvan de aanvraag evident geen reële kans van slagen heeft, waarbij inbegrepen de groep mensen die een volgaanvraag indient, niet langer kosteloze bijstand geboden, dan wel worden de vergoedingen, in overeenstemming met het hoeveelheid werk dat met de zaak gemoeid is tot een minimum beperkt. Daarnaast wordt gekeken hoe de rechtspraak vereenvoudigd kan worden en hoe voor asiel het beroep bij 1 instantie kan plaatsvinden waarmee hoger beroep kan komen te vervallen. De asielprocedures worden verkort en versoberd tot het Europese minimum, bijvoorbeeld door het verkorten van de beroepstermijn. Dwangsommen wegens termijnoverschrijding worden afgeschaft of beperkt. De toelatingsprocedure wordt verscherpt door geen beloning voor opzettelijk identiteit niet aantonen, aanpassing en handhaving criteria veilig land en verruiming op basis van ambtsberichten, en handhaving van de Dublin-verordening. Het kabinet beziet of ambtsberichten en werkinstructies van de IND, in beginsel, niet openbaar gemaakt kunnen worden.
B. Lik op stuk voor overlastgevers
Daarnaast voert dit kabinet een lik op stuk aanpak op overlast, intimidatie en geweld. Wie misbruik maakt van onze gastvrijheid door bijvoorbeeld winkeldiefstallen te plegen, overlast te veroorzaken, of door vrouwen of meisjes lastig te vallen, zal dat merken ook. Voor hen is er geen plaats in Nederland. Daarom zal de glijdende schaal verder worden aangepast, de ongewenstverklaring worden uitgebreid en de lat voor verblijfsrechtelijke consequenties verlaagd, waardoor de vergunningen van criminele vreemdelingen kunnen worden ingetrokken en zij kunnen worden uitgezet.
Overlastgevers worden zo veel als mogelijk uit reguliere opvanglocaties gehouden en in ieder geval direct overgeplaatst naar een vrijheidsbeperkende locatie; afhankelijk van de zwaarte van de overlast in een handhavings- en toezicht of procesbeschikbaarheidslocatie. Daarnaast wordt speciale aandacht gegeven aan de veiligheid van kinderen, vrouwen en asielzoekers met een lhbtiq+ en/of christelijke achtergrond in aanmeld- en opvanglocaties.
C. Versterkte binnengrenscontroles
De inzet aan de grens wordt onder de eenduidige regie van de minister van Asiel en Migratie versterkt om illegale migratie en mensensmokkel tegen te gaan, zowel aan de Nederlandse binnengrenzen, de buitengrenzen als in Caribisch Nederland. Aan de Nederlandse grenzen zal de controle geïntensiveerd worden binnen de kaders van de Schengen-grenscode. Het investeren in grenstoezicht is noodzakelijk om Nederland en het Schengengebied veilig, open en welvarend te houden. Irreguliere migranten, waaronder migranten die zich niet kunnen identificeren, worden vervolgens waar mogelijk direct teruggestuurd.
Tegelijkertijd investeert het kabinet in datagedreven en informatiegestuurde grenscontroles, en zet in op innovaties zoals de invoering van nieuwe Europese systemen als het Europees Entry Exit System (EES) en het Europees reisinformatie en autorisatiesysteem (ETIAS). Controles aan de binnengrens worden geïntensiveerd door een aanscherping van het mobiel toezicht veiligheid en een verdere samenwerking met de buurlanden. Met het gebruik van sensoren (bijv. slimmere camera‘s, telefoongegevens, warmtebeelden) kan een beter situationeel beeld van de binnengrenzen worden opgemaakt, waardoor er gerichter kan worden geselecteerd.
Informatiegestuurd optreden bij intra-Schengen vervoersbewegingen wordt, conform Europese en nationale regelgeving, ingezet om tot een effectievere selectie te komen, waardoor met de schaarse capaciteit gerichter controles worden uitgevoerd. Met deze aanpak worden de rechtmatige reiziger en de transportsector ontzien en worden illegale migratiestromen en grensoverschrijdende criminaliteit aangepakt. Irreguliere migranten worden teruggestuurd naar het land waar zij Europa zijn binnengekomen. Het kabinet bestrijdt mensensmokkel daarbij stevig, en versterkt de nationale en internationale aanpak.
D. Opvang
Uitgangspunt is dat de instroom wordt beperkt en dat er tegelijkertijd voldoende sobere opvang voorhanden is. Het kabinet neemt verder meteen maatregelen om de opvanggemeenten en woningmarkt te ontlasten. Zonder af te doen aan de ruimte die gemeenten hebben voor kleinschalige opvanglocaties, kan de huidige opvangbehoefte niet ingevuld worden zonder een aantal grote locaties, waardoor de (kosten)efficiëntie toeneemt. Het kabinet zet daarom in op een aantal grote sobere opvanglocaties zodat andere gemeenten worden ontlast. Hiertoe wordt zo snel als mogelijk met alle verantwoordelijken gesproken. Dure noodopvanglocaties worden zo snel als mogelijk afgestoten. De gemeentelijke opvang (financiering) wordt beperkt tot het meest basale.
Statushouders houden op dit moment circa 25% van alle asielopvangplekken bezet. Om de druk op de woningvoorraad en de asielopvang te ontlasten, zetten we voor deze doelgroep onder meer in op onzelfstandige huisvesting, de verdere ontwikkeling van doorstroomlocaties en andere vormen van flexibele huisvesting. Om de druk op de woningmarkt te ontlasten, wordt de Huisvestingswet gewijzigd en stellen we een verbod op voorrang in voor statushouders bij de toewijzing van sociale huurwoningen op grond van het feit zij statushouder zijn. Statushouders moeten zo snel mogelijk productief worden op de arbeidsmarkt, bij voorkeur met een gerichte match van vraag en aanbod. Veel gemeenten kiezen ervoor om doorstroomlocaties ook voor eigen woningenzoekenden te kunnen inzetten, en soms om een verbinding te maken tussen tekorten op de arbeidsmarkt en het arbeidspotentieel van statushouders.
E. Sneller vertrek
Om te zorgen dat personen die niet mogen blijven echt vertrekken, wordt de terugkeerinzet over de hele linie versterkt, met prioriteit voor overlastgevers. Het kabinet maakt het niet meewerken aan terugkeer strafbaar en beperkt zoveel mogelijk de mogelijkheid tot herhaalde aanvragen. De rijksbijdrage aan de Landelijke Vreemdelingenvoorziening wordt beëindigd. Er wordt in overleg met gemeenten ingezet op aanpak van overlast en terugkeer van mensen zonder geldige verblijfstitel. Om (gedwongen) terugkeer fors te bevorderen wordt de beschikbare capaciteit voor vreemdelingenbewaring zo snel als mogelijk opgehoogd, waarbij rekening wordt gehouden met de algemene druk op de detentiecapaciteit. Verder trekt Nederland in Europa de kar om steun te krijgen voor het wijzigen van de Terugkeerrichtlijn, gericht op een efficiëntere terugkeerprocedure en het wegnemen van administratieve belemmeringen. Het frustreren van terugkeer door het stapelen van procedures zal met een pakket aan maatregelen, waaronder het tot een minimum beperken van de rechtsmiddelen, worden aangepakt. Via de Wet Terugkeer en vreemdelingenbewaring worden vreemdelingen verplicht medewerking te verlenen aan de voor terugkeer noodzakelijke presentatie bij de autoriteiten van het herkomstland.
F. Implementatie Asiel- en Migratiepact
De implementatie van het Europees Asiel- en Migratiepact is essentieel voor het beperken van de instroom in Nederland. De implementatie moet in de zomer van 2026 gereed zijn. Dit pact bevat cruciale elementen gericht op beperking van en grip op asielmigratie. Bij de implementatie van het pact wordt de nationale asielprocedure sterk vereenvoudigd en worden onverplichte procedurestappen geschrapt. Dit zal ook leiden tot minder momenten waarop (gefinancierde) rechtsbijstand hoeft te worden geboden. Bij de uitvoering van het pact kiest het kabinet voor afkopen in plaats van opvangen bij de herverdeling van asielzoekers. Ook worden de Europese buitengrenzen fors verstevigd door het invoeren van een screening van alle migranten en strikte asielgrensprocedures. Spoedige implementatie door alle lidstaten is essentieel. Het kabinet biedt buitengrensstaten daarbij desgewenst ondersteuning, bijvoorbeeld bij grensversterking. Naleving van de bestaande wetten zoals de Dublinverordening en de nieuwe regels van het pact geven de beste garantie op het terugdringen van irreguliere migratie naar Nederland. Uiteraard gaat het kabinet nu al aan de slag om wijzigingen die nu al gerealiseerd kunnen worden uit te voeren.
G. Partnerschappen: instroom en vertrek
Om de irreguliere migratie tegen te gaan en terugkeer en opvang in de regio te bevorderen zet het kabinet, ook in Europees verband, in op brede, strategische partnerschappen met relevante migratielanden, inclusief de aanpak van mensenhandel, mensensmokkel en irreguliere migratieroutes. Ook innovatieve vormen van migratiesamenwerking zijn hier onderdeel van. In dit verband loopt het kabinet voorop in het met gelijkgezinde lidstaten en de Europese Commissie verkennen van out-of-the-box oplossingen, binnen de kaders van het internationaal en Europees recht, zoals de afspraken die Italië met Albanië maakt of terugkeerhubs. Het kabinet benut het volledige instrumentarium en schuwt strategische maatregelen in Europees verband om samenwerking te bespoedigen niet. Nederland zet zich bovendien, waar mogelijk samen met gelijkgestemde EU-lidstaten, in voor aanpassingen van het VN-vluchtelingenverdrag.
Het kabinet richt, onder sturing van de (onder)Raad Asiel en Migratie, een interdepartementale taskforce Internationale Migratie op om de inzet van mensen en middelen samen te brengen, te coördineren en gericht in te zetten. Ook gaat het kabinet in dit kader op zoek naar gestructureerd overleg met maatschappelijke partners en de private sector.
5. Zelfredzaamheid en participatie Oekraïense ontheemden
Het kabinet blijft inzetten op zelfredzaamheid en participatie van Oekraïense ontheemden in Nederland. Daarom vindt het kabinet het van belang dat sinds deze zomer het leefgeld moet worden stopgezet bij voldoende inkomsten uit werk en dat ontheemden een financiële bijdrage leveren aan de kosten van de opvang. Het kabinet streeft naar een hogere bijdrage. Er wordt strikt toegezien op het voldoen aan de voorwaarden van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en daaruit volgend recht op opvang en voorzieningen. Indien de ontheemden zich niet tijdig melden bij de IND (voor een check op de voorwaarden RTB), beëindigt de betreffende gemeente de opvang en voorzieningen. De betreffende gemeente moet dan opvang en voorzieningen beëindigen. Daarnaast optimaliseert het kabinet de regeling met betrekking tot asielzoekers en inkomen en worden de voorzieningen voor ontheemden hieraan gelijkgesteld.
6. Eisen naturalisatie aangescherpt
Wie in Nederland mag blijven, moet maximaal meedoen en bijdragen aan de maatschappij. Werk is de basis van integratie en het deelnemen van statushouders aan de arbeidsmarkt draagt bij aan de krapte op de Nederlandse banenmarkt. Het kabinet scherpt verder de voorwaarden voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit aan door de taaleis voor naturalisatie in beginsel voor iedereen te verhogen naar niveau B1.
Ook wordt de naturalisatietermijn verhoogd van 5 naar 10 jaar en is de inzet dat afstand wordt gedaan van de oorspronkelijke nationaliteit na verkrijging van het Nederlanderschap. Het Nederlanderschap wordt ingetrokken bij personen met meervoudige nationaliteit die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een terroristisch misdrijf. Het kabinet onderzoekt daarbij de mogelijkheden tot uitbreiding van het intrekken van het Nederlanderschap naar andere ernstige misdrijven waarvoor het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN) dit toelaat. Waar nodig wordt ook bezien of wijziging van het EVN nodig is.
EINDE
ZIE VOOR MEER OVER HET REGEERPROGRAMMA KABINET SCHOOF:
”Nederland kan de hoge aantallen migranten niet aan. De asielopvang zit overvol, procedures duren te lang en de kosten rijzen de pan uit. Bovendien leidt de aanhoudende asielinstroom tot problemen op het gebied van volkshuisvesting, gezondheidszorg en onderwijs.
Om weer grip op de situatie te krijgen, komt dit kabinet met het strengste asielregime ooit, zo blijkt uit het vandaag gepubliceerde regeerprogramma.”
Nederland kan de hoge aantallen migranten niet aan. De asielopvang zit overvol, procedures duren te lang en de kosten rijzen de pan uit. Bovendien leidt de aanhoudende asielinstroom tot problemen op het gebied van volkshuisvesting, gezondheidszorg en onderwijs.
Om weer grip op de situatie te krijgen, komt dit kabinet met het strengste asielregime ooit, zo blijkt uit het vandaag gepubliceerde regeerprogramma. Via het beperken van de instroom, snelle procedures, lik op stuk richting overlastgevers, strenger grenstoezicht, beperken van nareis-mogelijkheden en stevig inzetten op terugkeer moet Nederland in Europa een koploper worden als het gaat om toelatingsregels.
Minister Faber (Asiel en Migratie): “De kiezer heeft een duidelijke opdracht gegeven. Het roer moet om en de instroom moet direct omlaag. We nemen maatregelen om Nederland zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor asielzoekers. En voor wie misbruik maakt van onze gastvrijheid, is hier geen plaats. Ik ga voor een veiliger Nederland.”
Asielcrisis
De minister van Asiel en Migratie en de minister-president activeren zo snel mogelijk het noodrecht. Zo kan het kabinet afwijken van de Vreemdelingenwet. Meerderjarige kinderen kunnen niet meer nareizen. Nieuwe feiten en omstandigheden bij herhaalde asielaanvragen worden strenger getoetst. Ook komt er een mogelijkheid om asielzoekers die niet op een zitting of afspraak verschijnen, af te wijzen.
Met een asielcrisiswet trekt het kabinet vervolgens de Spreidingswet in, komt er een beslisstop op asielaanvragen, wordt de opvang versoberd en worden mensen zonder verblijfstitel desnoods gedwongen uitgezet. Daardoor kan de situatie in de asielketen door de hoge instroom gelijk aangepakt worden.
Asielbeleid
De situatie in de asielketen moet ook structureel worden aangepakt. Er komen strenge voorwaarden op het gebied van gezinshereniging en een zo smal mogelijke invulling van het kerngezin. Gezinshereniging wordt voor het overgrote deel van de asielzoekers alleen mogelijk wanneer iemand een vaste woonruimte, een passend inkomen en minimaal 2 jaar een verblijfstatus heeft. De 1e wetswijzigingen gaan dit najaar naar de Raad van State.
Ook krijgen asielzoekers niet langer na 5 jaar automatisch een asielvergunning voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat zij terug moeten naar het land van herkomst zodra het daar veilig is. De ongewenstverklaring wordt verruimd. Hiermee kunnen asielzoekers die misdrijven begaan sneller worden uitgezet.
Ook maakt dit kabinet zo snel mogelijk bij de Europese Commissie duidelijk dat Nederland een opt-out wil van het Europese asiel- en migratiebeleid. In de tussentijd trekt minister Faber in Europa op met gelijkgezinde landen en wordt het grenstoezicht versterkt.
PVV-leider Wilders vindt de Tweede Kamer een nepparlement. Bij de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer zei hij dat het verschil tussen de Kamer en de bevolking levensgroot is.
Wilders verwees naar het moment, gisteren, dat Kamerleden applaudisseerden toen Pechtold gemeenten bedankte die asielzoekers opnemen. Volgens Wilders ging dat applaus in tegen de wil van miljoenen Nederlanders.
“Een meerderheid van het Nederlandse volk vindt dat we de grenzen moeten sluiten. Dat betekent dat het verschil tussen deze Kamer, dit nepparlement – want dat is het, een nepparlement – en de mensen thuis levensgroot is”, zei hij.
Lef
Pechtold vroeg zich af “waar Wilders het lef vandaan haalt om tegen andere Kamerleden te zeggen dat ze de bevolking niet vertegenwoordigen”. Volgens hem zegt Wilders in feite dat hij het volk is. “Stop met zeggen dat Kamerleden niet meer vertegenwoordigen waar ze democratisch op gekozen zijn. Dat hebben we in de geschiedenis te vaak meegemaakt”, zei Pechtold.
PvdA-Kamerlid Vos twitterde dat Wilders met zijn uitlatingen openlijk de kenmerken toont van “fascistoïde leiderschap”. Hij zei later dat hij bij die tweet blijft. Volgens Vos zijn de uitlatingen fascistoïde, omdat de democratie wordt ontkend en het volk wordt opgeroepen om in verzet te komen.
In een reactie dáárop zei Wilders dat Vos niet goed bij zijn hoofd is. Wilders beschouwt de uitspraak van Vos als een verkapte oproep om hem wat aan te doen.
EINDE BERICHT
[35]
WILDERS SPREEKT/OVER ”OMVOLKING”/VLUCHTELINGEN ALS
”HYENA’S EN ”ACHTERLIJKE ISLAMITISCHE ZANDBAKLANDEN”
DEN HAAG – Hoewel voorzitter Doekle Terpstra van de HBO-raad wat ”gas terugneemt”, blijft PVV-leider Geert Wilders woedend over diens oproep om een tegenbeweging tegen hem te vormen.”Terpstra heeft gezegd dat ik het kwaad ben dat gestopt moet worden. Dan ben je niet goed bij je hoofd”, aldus Wilders dinsdag.
…
…
”Terpstra heeft inmiddels laten weten dat hij Wilders niet persoonlijk wilde treffen. ”Maar hij heeft het wel gezegd”, aldus Wilders. ”Ik blijf het hem zeer kwalijk nemen.”
” In een ingezonden brief in die krant stelt Terpstra, een prominent CDA-lid, dat Wilders zijn positie als Kamerlid misbruikt om op te hitsen en roept hij op ‘een duidelijk nee te laten horen tegen de kwade boodschap van Wilders’. Terpstra juicht de plannen voor een tegenbeweging toe, liet hij zondag weten.”VOLKSKRANTTEGENBEWEGING TEGEN WILDERS OP KOMST2 DECEMBER 2007
Er is een tegenbeweging tegen Geert Wilders in oprichting. Dit heeft René Danen van ‘Nederland bekent kleur’ zondag bevestigd na berichtgeving in De Telegraaf hierover….
Het initiatief is een reactie op de oproep die voorzitter van de HBO-Raad Doekle Terpstra afgelopen vrijdag in Trouw deed om ‘op te staan tegen de verWildering van de samenleving’. In een ingezonden brief in die krant stelt Terpstra, een prominent CDA-lid, dat Wilders zijn positie als Kamerlid misbruikt om op te hitsen en roept hij op ‘een duidelijk nee te laten horen tegen de kwade boodschap van Wilders’. Terpstra juicht de plannen voor een tegenbeweging toe, liet hij zondag weten. Hij is na de publicatie van de brief ‘overspoeld door reacties’ onder meer van organisaties als Islam en Burgerschap en VluchtelingenWerk. Zelf wilde hij geen voortrekkersrol spelen, maar hij vindt wat Wilders doet ‘zeer gevaarlijk’. Hij vindt het belangrijk dat ook de ‘autochtone elite’ in beweging komt. Ook Danen vindt dat een fase is aangebroken waarin iets moet gebeuren. Concrete plannen voor acties heeft hij nog niet. Maar het lijkt hem een ‘logisch moment’ voor een demonstratie wanneer de film van Wilders over de islam uitkomt. Dat is ergens in januari.
EINDE
”DEN HAAG – Hoewel voorzitter Doekle Terpstra van de HBO-raad wat ”gas terugneemt”, blijft PVV-leider Geert Wilders woedend over diens oproep om een tegenbeweging tegen hem te vormen.”Terpstra heeft gezegd dat ik het kwaad ben dat gestopt moet worden. Dan ben je niet goed bij je hoofd”, aldus Wilders dinsdag.”
DEN HAAG – Hoewel voorzitter Doekle Terpstra van de HBO-raad wat ”gas terugneemt”, blijft PVV-leider Geert Wilders woedend over diens oproep om een tegenbeweging tegen hem te vormen.”Terpstra heeft gezegd dat ik het kwaad ben dat gestopt moet worden. Dan ben je niet goed bij je hoofd”, aldus Wilders dinsdag.
Hij verwijt Terpstra dat die een ‘fatwa’ (banvloek) tegen hem heeft uitgesproken. ”Dan ben je een zieke geest.” Wilders spreekt ook van ”een belediging van de PVV-kiezer”.
Terpstra heeft inmiddels laten weten dat hij Wilders niet persoonlijk wilde treffen. ”Maar hij heeft het wel gezegd”, aldus Wilders. ”Ik blijf het hem zeer kwalijk nemen.” (ANP)’
Vos neemt geen woord terug van zijn kritiek op Wilders. Dat zegt hij donderdagavond tegen het ANP dat schijnbaar twijfelde aan de oprechtheid van zijn tweet. In een toelichting in een pauze van het debat zei Vos even later dat zijn eigen tweet niet te ver ging.
“De vrijheid van meningsuiting geldt voor iedereen in Nederland. Voor Geert Wilders, maar ook voor de PvdA. Ik vind dat hij te ver ging door het parlement voor nep uit te maken en het volk op te roepen in verzet te komen.”
Vos vindt Wilders geen fascist, maar diens tekst vertoonde volgens hem wel fascistoïde kenmerken.
“Ik ben verontrust over een beweging die steeds extremer wordt. Ik denk dat we daar afstand van moeten nemen. Dat doet Alexander Pechtold, dat doen anderen en dat doe ik ook als lid van de PvdA-fractie. Ik ben opgeleid als historicus, dus ik heb enig recht van spreken op dit terrein.”
TPO [THE POST ONLINE]
PVDA-KAMERLID JAN VOS: WILDERS TOONT ”OPENLIJK KENMERKEN VAN FASCISTOIDE LEIDERSCHAP”
Met update – De Tweede Kamer is volgens PVV-leider Geert Wilders verworden tot een nepparlement omdat het totaal niet vertegenwoordigt wat de bevolking wil. De opmerkingen van Wilders leidden tot veel afkeur van andere partijen. Wilders zei dat alleen de PVV zegt wat miljoenen Nederlanders denken, namelijk dat er niet meer asielzoekers bij moeten komen en dat de grenzen dicht moeten. “Het verschil tussen dit nepparlement en de mensen thuis is levensgroot.”
Wilders werd er meteen op aangevallen door D66-leider Alexander Pechtold. “Waar haalt u het lef vandaan om te zeggen: ik ben het volk?” PvdA-Kamerlid Jan Vos zei het even later op Twitter nog wat concreter:
Eerder zei VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra dat het debat over de opvang van vluchtelingen ontsierd wordt door een valse tegenstelling: dat je óf racistisch óf beschaafd bent. Dat doen geen recht aan de zorgen die veel mensen zich maken, zei Zijlstra. Nederland zit volgens hem niet te wachten op het provoceren van Wilders, maar ook niet op de politiek correcte opstelling van linkse partijen. De politiek moet durven praten over de oprechte gevoelens van burgers die zich zorgen maken over de enorme stroom vluchtelingen. “Laten we uit het gekissebis komen”, zei Zijlstra.
Update 00.35 – Wilders: Verkapte oproep om mij iets aan te doen
Wilders zei tegen het ANP dat Vos ‘niet goed bij zijn hoofd is als hij zoiets zegt’. Blij is hij er niet mee, want het is een verkapte oproep om iemand iets aan te doen, vindt hij. Mensen hebben immers terecht een hekel aan fascisten, aldus Wilders.
Update 21.47 – Vos blijft achter uitspraak staan
Vos neemt geen woord terug van zijn kritiek op Wilders. Dat zegt hij donderdagavond tegen het ANP dat schijnbaar twijfelde aan de oprechtheid van zijn tweet. In een toelichting in een pauze van het debat zei Vos even later dat zijn eigen tweet niet te ver ging.
“De vrijheid van meningsuiting geldt voor iedereen in Nederland. Voor Geert Wilders, maar ook voor de PvdA. Ik vind dat hij te ver ging door het parlement voor nep uit te maken en het volk op te roepen in verzet te komen.”
Vos vindt Wilders geen fascist, maar diens tekst vertoonde volgens hem wel fascistoïde kenmerken.
“Ik ben verontrust over een beweging die steeds extremer wordt. Ik denk dat we daar afstand van moeten nemen. Dat doet Alexander Pechtold, dat doen anderen en dat doe ik ook als lid van de PvdA-fractie. Ik ben opgeleid als historicus, dus ik heb enig recht van spreken op dit terrein.”
EINDE BERICHT
”Na afloop van het debat nam Vos zijn woorden niet terug, meldt politiek verslaggever Floor Bremer.”
RTL NIEUWS
WILDERS OVER VOS: DIE MAN IS NIET GOED BIJ ZIJN HOOFD
Geert Wilders vindt ‘niet veel’ van de harde kritiek van Jan Vos. Het PvdA-Kamerlid twitterde dat de tekst van de PVV-leider in het Kamerdebat openlijk kenmerken toonde ‘van fascistoïde leiderschap’. Wilders: “Die man is niet helemaal goed bij zijn hoofd als hij dat zegt.”
Wilders zei vanavond tijdens de Algemene Beschouwingen dat de Tweede Kamer ’totaal niet vertegenwoordigt wat de bevolking wil’. Volgens hem zegt alleen de PVV ‘wat miljoenen Nederlanders denken’, namelijk dat er niet meer asielzoekers bij moeten komen en dat de grenzen dicht moeten. “Het verschil tussen dit nepparlement en de mensen thuis is levensgroot.’
PvdA-Kamerlid Jan Vos haalde op Twitter uit naar Wilders: “Slottekst Wilders toont openlijk kenmerken van fascistoïde leiderschap: ’t parlement is nep en ’t volk moet in verzet: weg met de democratie.”
slottekst wilders toont openlijk kenmerken van fascistoïde leiderschap: ’t parlement is nep en ’t volk moet in verzet: weg met de democratie
PvdA-leider Diederik Samsom vindt niet dat Vos zijn woorden hoeft terug te nemen, zegt hij tegen RTL Nieuws: “De emoties liepen hoog op, volgens mij geldt de vrijheid van meningsuiting voor iedereen.”
Kamervoorzitter Van Miltenburg gaat niet in op de vraag waarom ze niet ingreep tijdens het debat: “Ik heb vandaag alle geluiden gehoord die er in de Nederlandse samenleving zijn, dat maakt mij een hele trotse voorzitter op deze Tweede Kamer.”