NOTEN 55 EN 56/WEES PARAAT!

[55]

HET FASCISTISCHE KARAKTER VAN DE PVV/BRONNEN,ONDERZOEKEN

ASTRID ESSED

[56]

WILDERS EN HITLER/VERGELIJKING GRIEZELIG JUIST

ASTRID ESSED

16 AUGUSTUS 2016

VERGELIJKING WILDERS MET HITLER/KERN VAN WAARHEID

ASTRID ESSED

17 MAART 2014

RAVOTR/[PETER STORM]

OPEN BRIEF AAN GEERT WILDERS: U TREEDT IN HITLER’S 

VOETSPOREN”

16 MAART 2014

Onderstaande open brief schreef ik nadat Wilders dreigde een rechtszaak te beginnen tegen mensen die hem met Hitler vergelijken. De tekst is gisteren ingezonden aan diverse kranten en persbureau ‘s. Van de media die ik de brief mailde kreeg ik nog geen reactie, dus plaats ik hem met een minieme wijziging nu hier. Verdere verspreiding – met bronvermelding en dergelijke – juich ik toe, net als het maken en verspreiden van andere teksten waarin een soortgelijke vergelijking wordt gemaakt.

Tilburg, 16 maart 2014,

Mijnheer Wilders,

Uw politieke optreden staat in dezelfde traditie als die van Adolf Hitler. Net als Hitler wijst u een bepaalde bevolkingsgroep aan als zondebok, projecteert er allerlei angsten op, bespeelt een gevoel van afkeer jegens deze bevolkingsgroep. Uw uitspraak dat u “als het kan wat minder Marokkanen” zou willen zien, is daarvan een teken. En u deed het kort erop dunnetjes over door te zeggen: “Hoe minder Marokkanen, hoe beter”. Dit is stemming maken om een complete bevolkingsgroep uit te sluiten. Dat is niet wezenlijk anders dan wat Hitler deed op weg naar de macht. Ja, mijnheer Wilders. U treedt in Hitlers voetsporen.

Het is duidelijk dat ook u het om de macht te doen is. Stemmen vergaren door haat te zaaien, door afkeer aan te wakkeren, door te parasiteren op aldus aangemoedigde en van kwaadaardige stootkracht voorziene onvrede, Kamerzetels veroveren over de ruggen van bevolkingsgroepen die door u stelselmatig in de hoek worden getrapt met uw optreden, dat is wat u systematisch doet. Het is de strategie die Hitler in de aanloop naar het Derde Rijk hanteerde, met regeringsmacht als uitkomst.

Ik weet niet hoe u gaat regeren áls het u desondanks lukt. Maar het feit dat u in de aanloop naar de macht al zulke middelen hanteert, bevat wat mij betreft een waarschuwing om het niet zo ver te laten komen. Ik hoop niet dat het u ook gaat lukken, en ik zal mijn best doen om het te helpen verhinderen. Een oude antifascistische waarschuwing is op zijn plaats: No Pasaran.

Ik zal u dan ook met woord en geschrift de voet dwars zetten zoals politieke erfgenamen van Hitler de voet dwars gezet moeten worden. Om die reden zal ik u met Hitler en soortgelijke politici vergelijken, zo vaak en zo scherp als mij dat verstandig voorkomt. Ik hoop en vertrouw erop dat ik daarin niet de enige zal zijn.

Ik wens u dan ook een spoedige en volledige politieke ondergang toe, om dezelfde reden dat ik elke politieke geestverwant en erfgenaam van Adolf Hitler een spoedige en volledige politieke ondergang toe wens. Uiteraard hoop ik dat na die ondergang uw resocialisatie in een maatschappij van gelijkwaardige en vrije mensen voorspoedig zal verlopen.

Mocht u inderdaad vanwege deze vergelijking tot gerechtelijke procedures overgaan, zoals u heeft aangekondigd, dan laat dat eens te meer zien hoe vijandig u feitelijk staat jegens de vrijheid waar u bij andere gelegenheden zo graag de mond vol van heeft.

Zo, komt u nu maar op met uw civielrechtelijke procedure.

Peter Storm

Reacties uitgeschakeld voor NOTEN 55 EN 56/WEES PARAAT!

Opgeslagen onder Divers

NOOT 54/WEES PARAAT!

[54]

”Direct na Hitlers machtsovername begonnen de nazi’s met de Gleichschaltung (gelijkschakeling) van de Duitse samenleving. Dit hield in dat elke vorm van politieke oppositie onmogelijk werd. De Duitse bevolking moest volgens Hitler en de zijnen heropgevoed worden in de geest van de nationaal-socialistische ideologie.”

DUITSLAND INSTITUUT

MACHTIGINGSWET EN GELIJKSCHAKELING

https://duitslandinstituut.nl/naslagwerk/60/machtigingswet-en-gelijkschakeling#:~:text=Direct%20na%20Hitlers%20machtsovername%20begonnen,van%20de%20nationaal%2Dsocialistische%20ideologie.

Machtigingswet en gelijkschakeling
Derde Rijk tot 1939

Met het aannemen van een machtigingswet in 1933 kregen de nazi’s absolute macht. De wet vormde samen met de Rijksdagbrandverordening de juridische basis van de Hitlerstaat. Direct daarna begonnen de nationaal-socialisten voortvarend aan de zogenaamde gelijkschakeling. Ze wilden een grondige nazificering van de gehele maatschappij tot stand brengen.

Ondanks alle propaganda- en intimidatiecampagnes kreeg de NSDAP bij de verkiezingen van 5 maart 1933 43,9 procent van de stemmen, terwijl de partij had gehoopt op een absolute meerderheid. Daarom voerde Hitler op 23 maart 1933 een grondwetswijziging door, de zogenaamde machtigingswet. Deze wet gaf Hitler de bevoegdheid om vier jaar lang buiten de Rijksdag en andere constitutionele organen om te regeren en wetten uit te vaardigen.

Voor aanname van de machtigingswet had Hitler een tweederde meerderheid nodig en moesten 432 Rijksdagleden aanwezig zijn bij de stemming. Hitler had zich van tevoren verzekerd van steun van de conservatieve partijen en het katholieke Zentrum. Om onder de verplichting van het aantal aanwezige leden (quorum) uit te komen, werd bepaald dat de gearresteerde communistische en sociaaldemocratische leden zonder excuus afwezig waren en dus niet meetelden. Alleen de wél aanwezige SPD’ers stemden tegen de machtigingswet. In totaal werden er 538 geldige stemmen uitgebracht. Met 444 stemmen vóór zette de Rijksdag zichzelf buiten spel.

Direct na Hitlers machtsovername begonnen de nazi’s met de Gleichschaltung (gelijkschakeling) van de Duitse samenleving. Dit hield in dat elke vorm van politieke oppositie onmogelijk werd. De Duitse bevolking moest volgens Hitler en de zijnen heropgevoed worden in de geest van de nationaal-socialistische ideologie.

Allereerst werden de parlementen van alle deelstaten onder controle van een nazi-gezinde Reichsstatthalter (Rijksstadhouder) gesteld. Vervolgens werden alle politieke partijen één voor één opgeheven of verboden. De wet van 14 juli 1933 verbood het oprichten van nieuwe partijen en maakte van Duitsland een eenpartijstaat. Het door de NSDAP gecontroleerde Deutsche Arbeitsfront kwam in de plaats van alle bestaande vakbonden en werkgeversbonden. De Hitlerjugend nam de plaats in van andere jongerenorganisaties en ook de pers werd grotendeels onder controle van de nazi’s gesteld.

Hitler noemde deze nieuwe orde het Derde Rijk, als opvolger van het oude Heilige Roomse Rijk (962-1806) en het Duitse Keizerrijk (1871-1918). Naar zijn verwachting zou het Derde Rijk duizend jaar bestaan.

EINDE

”In de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog was er sprake van een aanval op de vrije media. In 1937 noemde Anton Mussert – oprichter van de NSB – de Nederlandse pers de ‘gehele huisknechtenpers, beheerst door de Regeringspersdienst, de politieke partijen en de grotendeels Joodse adverteerders’. ”

….

….

”Het begon door te dringen dat journalisten door hun strikte neutraliteit en onpartijdigheid meewerkten aan hun eigen ondergang. Voor een vrije pers was in een fascistische staat immers geen plaats.”

HISTORISCH NIEUWSBLAD

OOK DE NSB VIEL DE MEDIA AAN

De pers als vijand wegzetten is geen nieuw fenomeen. Vanaf de oprichting in 1931 viel de NSB de media aan. De partij voerde een onafgebroken strijd met Nederlandse journalisten. De media worstelden daardoor met de manier waarop zij over de NSB moesten berichten.

In de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog was er sprake van een aanval op de vrije media. In 1937 noemde Anton Mussert – oprichter van de NSB – de Nederlandse pers de ‘gehele huisknechtenpers, beheerst door de Regeringspersdienst, de politieke partijen en de grotendeels Joodse adverteerders’. Volgens de nationaalsocialisten was de parlementaire democratie een corrupt systeem dat bestuurd werd door een kleine elite, wiens belangen werden behartigd door journalisten. Zij zouden onwaarheden verspreiden om de NSB in een kwaad daglicht te stellen.

In de beginjaren van de NSB namen liberale en commerciële kranten een uiterst neutrale houding aan. Rapportages over de NSB werden zonder politieke kleur gepubliceerd, zoals dat ook gebruikelijk was in de berichtgeving over andere politieke bewegingen. Kranten met een katholieke, gereformeerde of sociaaldemocratische achtergrond waren minder neutraal. Zij waarschuwden hun lezers voor het opkomend fascisme.

Het was uiteindelijk De Journalist die de passieve houding van de Nederlandse pers bekritiseerde en journalisten wakker schudde:

Wetende, welk een machtig wapen de pers is, trachten de fascisten het Nederlandse volk te doordringen van de overtuiging dat ’t een van zijn “opdrachtgevers” afhankelijke, kneedbare, perfide, corrupte pers bezit, die lastert en liegt van de vroege morgen tot de late avond. ‘En wat doen wij? Wel, we drukken die beschuldigingen over. We gaan naar die vergaderingen heen; we zetten ons neer aan de tafeltjes voor de verslaggevers; we horen die woorden, die ons beroep èn ons werk bekladden; we schrijven ze op, waarachtig, we schrijven ze op, telkens opnieuw schrijven we ze op en misschien zetten we er nog wel “applaus” achter ook; dan laten we ze drukken en sturen ze het land in, opdat ons volk ze toch maar goed zal kunnen lezen. En protesteren ertegen doen we vrijwel niet.’

De redactie van De Journalist hekelde het feit dat kranten ruimte gaven aan het NSB-gedachtegoed, zonder daarbij enige vorm van kritiek te leveren. ‘Zo staan we tegen­over onze beschuldigers als engelen van goedheid, als onze-lieve-heersbeestjes van onpartijdigheid, als gekonfijte vruchten van een soort metafysische objectiviteit.’

Het begon door te dringen dat journalisten door hun strikte neutraliteit en onpartijdigheid meewerkten aan hun eigen ondergang. Voor een vrije pers was in een fascistische staat immers geen plaats.

Dat bleek ook het geval te zijn toen Nederland onder een nationaalsocialistisch bewind kwam te staan. De angst van de journalisten werd werkelijkheid toen de Duitse bezetter de onafhankelijke kranten gelijkschakelde.

EINDE

FASCISTENKABINET/AANVAL OP VRIJE PERS

ASTRID ESSED

3 JUNI 2024

Reacties uitgeschakeld voor NOOT 54/WEES PARAAT!

Opgeslagen onder Divers

NOOT 53/WEES PARAAT!

[53]

NOS

RAAD VAN STATE NEGATIEF OVER ASIELWETTEN: ”DRAGEN

NIET BIJ AAN BEPERKEN INSTROOM”

10 FEBRUARI 2025

https://nos.nl/artikel/2555256-raad-van-state-negatief-over-asielwetten-dragen-niet-bij-aan-beperken-instroom

De twee kabinetsvoorstellen voor een strenger asielbeleid moeten zoals ze nu zijn niet worden ingediend bij de Tweede Kamer. Dat oordeelt de Raad van State in een advies waar met spanning naar is uitgekeken door de coalitie.

Het gaat om wetten die volgens het kabinet moeten leiden tot “het strengste asielbeleid ooit”. Maar volgens de Raad van State (RvS) wordt “niet aannemelijk gemaakt” dat de maatregelen zullen bijdragen aan het beperken van de instroom of een efficiëntere asielprocedure.

Het is volgens het adviesorgaan overigens wel “denkbaar” dat er minder asielzoekers komen, maar niet per se aannemelijk. In het advies wordt erop gewezen dat instroom “in grote mate afhankelijk is van internationale en geopolitieke ontwikkelingen” en dat het nationale asielbeleid “een beperkte rol” speelt bij de keuze van asielzoekers waar ze heen gaan.

Meer en ingewikkeldere beslissingen

De Raad van State, een belangrijk adviesorgaan van de regering, voorziet ook problemen in de uitvoering van de wetten. “De kans is groot dat de maatregelen juist tot een extra belasting leiden voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de rechtspraak.”

Als de wetten worden ingevoerd moet de IND volgens de raad meer en ingewikkeldere beslissingen nemen. “Over deze beslissingen zal ook meer geprocedeerd worden, wat de druk op de rechtspraak verhoogt.”

De Raad voor rechtspraak waarschuwde daar eerder ook al voor. Als procedures langer duren, zitten mensen bovendien langer in de asielopvang, schrijft de Raad van State. En de asielopvang is al overvol.

De Raad van State zegt dat de uitvoeringsproblemen kunnen leiden tot “een schending van grondrechten”. Zo komt het recht op een eerlijk proces in het geding als IND en rechters niet op tijd kunnen beslissen. Ook voorziet de raad problemen met het recht op familie- en gezinsleven en de rechten van het kind, omdat gezinshereniging moeilijker wordt gemaakt in de plannen het kabinet.

Politieke wens

In het advies wordt verder de “onzorgvuldige voorbereiding” genoemd. “Dat er een politieke wens is om met spoed stappen te zetten tot aanscherping van het nationale asielbeleid, is onvoldoende grond om stappen in de voorbereiding van wetgeving over te slaan of hiervoor te weinig tijd te nemen”, aldus de Raad van State.

Wat zijn de voorstellen?

Het advies van de raad gaat over twee wetsvoorstellen: over een zogeheten tweestatus-stelsel en een met verschillende maatregelen die ertoe moeten leiden dat er minder asielzoekers naar Nederland komen.

Bij het tweestatusstelsel wordt onderscheid gemaakt tussen mensen die vluchten omdat ze als individu gevaar lopen in hun land (vanwege afkomst, seksuele geaardheid of religie) en groepen mensen die vluchten voor oorlog en (natuur)geweld. Die laatste groep krijgt tijdelijk asiel. Nu bestaat dat onderscheid niet.

Het andere wetsvoorstel regelt het verkorten van de tijdelijke verblijfsvergunning die asielzoekers kunnen krijgen van 5 jaar naar 3 jaar. Onder meer de Raad voor de Rechtspraak uitte al kritiek op de wetsvoorstellen, vanwege de uitvoerbaarheid en oplopende wachttijden en werkdruk.

De adviezen van de Raad van State over de kwaliteit van wetgeving en mogelijke gevolgen voor de uitvoering worden in Den Haag doorgaans zeer serieus genomen. Het staat ministers evenwel vrij om deze adviezen op te volgen of te negeren.

Minister Faber van Asiel hamerde daar ook herhaaldelijk op. “Het advies is niet bindend, ik kan ermee doen wat ik wil”, zei ze vrijdag nog. Haar partij, de PVV, wil dat de wetten zo snel mogelijk door het parlement komen. Partijleider Wilders zei vorige week dat de wetten “snel en ongewijzigd” moeten worden ingevoerd. “Geen aanpassingen en getreuzel en tegenwerkingen meer.”

In de coalitie is de spanning al enkele keren opgelopen vanwege het asielbeleid. De coalitiepartijen zijn het erover eens dat ze de asielopvang willen versoberen en de aantallen asielzoekers in Nederland omlaag willen brengen, maar over de manier waarop verschillen vooral NSC en PVV van mening.

De PVV wil zo snel mogelijk een strenger asielbeleid. NSC zegt zeer te hechten aan goed bestuur en zorgvuldige wetten die uitvoerbaar zijn, inclusief de nieuwe asielwetgeving.

Politiek verslaggever Jorn Jonker

“Naar deze adviezen werd in het kabinet en in de coalitie met spanning uitgekeken. Een deel van die spanning is weg, want de Raad van State had nóg negatiever over de wetten kunnen zijn.

Maar de Raad van State geeft deze voorstellen nog steeds een dikke onvoldoende, het zogeheten dictum C. Er zijn juridische bezwaren, maar de raad voorziet vooral problemen met de uitvoerbaarheid. Deze wetten zouden alleen nog maar meer werk betekenen voor de overbelaste IND en rechtspraak.

De Raad van State adviseert dus om de wetten in deze vorm niet in te dienen. Tegelijkertijd hecht de PVV veel belang aan de snelle invoering van deze wetten. Dat kan flink gaan botsen met regeringspartij NSC. Die partij zegt op te komen voor goed bestuur en zei eerder dat er altijd ruimte moet zijn om te kunnen toetsen op uitvoerbaarheid en wetten te kunnen verbeteren.

Of die ruimte er komt is de vraag, maar het is ook de vraag of NSC die ruimte echt gaat opeisen als dat een politieke crisis zou betekenen. Inhoudelijk is die regeringspartij ook voor zaken als de invoering van het tweestatusstelsel.”

EINDE

Reacties uitgeschakeld voor NOOT 53/WEES PARAAT!

Opgeslagen onder Divers

NOOT 52C/WEES PARAAT!

[52C]

RAAD VAN STATE

WETSVOORSTEL UITVOERINGS- EN IMPLEMENTATIEWET 

ASIEL- EN MIGRATIEPACT 2026

https://www.raadvanstate.nl/publicaties/consultaties/wetsvoorstel-asiel-en-migratiepact

Brief van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 13 februari 2025 aan het ministerie van Asiel en Migratie met een reactie op het consultatieverzoek over het Wetsvoorstel Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026.

Den Haag, 13 februari 2025

Aan ministerie van Asiel en Migratie
Directeur Wetgeving en Juridische Zaken
Mevrouw E.D.G. Kiersch
Postbus 20301
2500 EH Den Haag

Betreft: Consultatiereactie Wetsvoorstel Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026

Geachte mevrouw Kiersch,

Graag maak ik gebruik van de mogelijkheid opmerkingen te maken over het wetsvoorstel Uitvoerings- en implementatiewet EU Asiel- en Migratiepact 2026 zoals het op 20 december 2024 in consultatie is gebracht. Deze reactie van de Afdeling bestuursrechtspraak loopt niet vooruit op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State.

Ik beperk mij tot enkele algemene observaties over de extra belasting voor de IND en de rechtspraak die dit voorstel met zich brengt. Hiermee sluit ik aan op mijn reactie op de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en het Tweestatusstelsel van 2 december 2024 en de wetgevingsadviezen van de Raad voor de rechtspraak over die voorstellen van 2 december 2024 en 20 januari 2025. (1)

Invoering EU-Asiel- en Migratiepact 2026

De invoering van het EU Asiel- en Migratiepact 2026 (AMP) in Nederland in juni 2026 heeft als zodanig en dus onvermijdelijk al veel gevolgen voor uitvoering en voor de rechtspraak. De invoering zal van procespartijen en rechters een grote inspanning vragen. Processen moeten opnieuw worden ingericht, termijnen worden korter, nieuwe rechtsvragen moeten worden beantwoord. Daarbij zullen rechters zich voor uitleg van de nieuwe regels zeker in het begin vaker tot het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg moeten wenden. Dergelijke prejudiciële verwijzingen kosten tijd en leiden niet zelden tot het aanhouden van vele vergelijkbare zaken.

Keuzes bij implementatie

Bij het voorstel voor de implementatie van het AMP zijn echter ook keuzes gemaakt. In deze reactie richt ik mij op die keuzes en de gevolgen daarvoor voor de asielrechtspraak. Verschillende keuzes leiden tot een verzwaring van de belasting voor de uitvoering en de rechtspraak, zonder dat de noodzaak daarvan direct uit het AMP volgt. Dat licht ik hieronder toe.

De precieze gevolgen van het wetsvoorstel AMP zijn overigens – mede doordat in de memorie van toelichting deze keuzes en de gevolgen ervan nog niet op alle onderdelen systematisch en diepgaand zijn belicht – op dit moment nog niet goed te overzien. Ik ga ervan uit dat de uitvoeringslasten die voortvloeien uit het AMP en het wetsvoorstel als geheel voor de rechtspraak nog nauwkeurig in kaart zullen worden gebracht. Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan de gevolgen voor het primaire proces van rechtspraak (zowel personeel als organisatorisch), maar bijvoorbeeld ook voor ICT-systemen.

Asielprocedures

Het onderhavige wetsvoorstel bevat deels een aantal elementen die ook al zijn opgenomen in de wetsvoorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en het Tweestatusstelsel. Voor een bespreking daarvan verwijs ik naar mijn brief van 2 december 2024 in reactie op die wetsvoorstellen. De Afdeling uitte daarin al haar grote zorgen over de forse extra belasting van de rechtspraak, met name door het invoeren van een tweestatusstelsel en het vervallen van de voornemenprocedure.

Verzwarende elementen

Die belasting wordt in dit wetsvoorstel nog versterkt door een aantal elementen, die niet dwingend voortvloeien uit het AMP zelf. Allereerst de kortere termijnen voor het instellen van beroep in de standaardprocedure:(2) deze termijn gaat van vier naar twee weken “om de doorloop in de asielketen te bevorderen”.(3) Ten tweede wordt in de memorie van toelichting aangekondigd dat wordt gewerkt aan het afschaffen van gesubsidieerde rechtsbijstand in de bestuurlijke fase.(4) Dat kan leiden tot meer werk voor de IND om een duidelijk beeld van de zaak en een volledig dossier te krijgen. Ik wijs in dit verband – buiten de strikte context van dit wetsvoorstel om – in de derde plaats op de mogelijkheid dat aanzienlijk zal worden bezuinigd op de subsidie voor Vluchtelingenwerk Nederland. Dit zal maken dat de asielverzoeken in de toekomst ook bij indiening bij de IND al minder uitgewerkt zullen zijn, omdat asielzoekers van tevoren minder goed worden voorgelicht over de gang van zaken in de asielprocedure en over de daarvoor benodigde gegevens.

Door al deze maatregelen, zeker in combinatie, zullen asielzaken in beroep gemiddeld genomen minder goed voorbereid op zitting komen en daardoor de rechtbanken naar verwachting in de voorbereiding, op zitting en bij de afhandeling veel meer werk opleveren. De kans dat een besluit door de rechtbank vernietigd wordt en de zaak naar de IND wordt teruggestuurd voor herbeoordeling neemt naar mijn verwachting fors toe.

Als dossiers in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak komen, zal ook daarin meer tijd, werk en dus geld moeten worden gestoken als sprake is van niet goed uitgeprocedeerde dossiers, die fouten en onduidelijkheden bevatten. Simpel gezegd: het inleveren op een goede voorbereiding aan het begin van de procedure, leidt onvermijdelijk tot meer problemen en vertraging verderop in de procedure.

Bewaring

Voor bewaringszaken worden in het wetsvoorstel kortere termijnen voor het doen van een uitspraak vastgelegd.(5) Daaronder valt ook grensdetentie die bedoeld is om de toegang tot Nederland te weigeren.(6) De voorgestelde standaardtermijn voor de behandeling van het beroep en het doen van een uitspraak wordt voor de rechtbank maximaal 15 dagen onder normale omstandigheden en 21 dagen in uitzonderlijke omstandigheden, terwijl die nu onder alle omstandigheden maximaal 21 dagen is. Deze termijnen vloeien dwingend voort uit het AMP.

Extra druk op bestuursrechters door kortere termijn

De extra druk op de rechtbanken als gevolg van het verkorten van de termijn om uitspraak te doen zal volgens de memorie van toelichting ”niet groot” zijn,(7) omdat in veel gevallen nu ook binnen een paar dagen beroep wordt ingesteld en in de regel binnen 15 dan wel 21 dagen uitspraak wordt gedaan. Deze korte termijnen brengen naar mijn mening wél een extra belasting mee voor de rechtspraak, vooral voor de eerstelijns bewaringsrechters bij de rechtbanken. Ik betwijfel of de aanname dat de extra druk op de rechtbanken niet groot is een juiste inschatting is, omdat deze inschatting er geen rekening mee houdt dat de standaardtermijn voor een uitspraak onder normale omstandighedenverkort wordt van 21 dagen naar 15 dagen. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden mag de rechtbank 21 dagen over een bewaringsberoep doen, terwijl dat nu de standaardtermijn is onder alle omstandigheden. De rechtbank zal dus in de meeste bewaringszaken een week sneller moeten gaan werken dan zij nu doet: eerder de zitting plannen en sneller uitspraak doen. Dat zal ook gevolgen hebben voor de behandeling van andere zaken bij de rechtbank (verdringingseffect).

Daarbij benadruk ik dat de Herschikte Opvangrichtlijn – anders dan het huidige artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) – een prikkel bevat voor vreemdelingen om niet meer zelf beroep tegen een maatregel van bewaring in te stellen, zodat naar verwachting de meeste beroepsprocedures met een ambtshalve kennisgeving van de minister gaan beginnen. Het is nu nog zo dat een vreemdeling eerst de tijd krijgt om zelf beroep in te stellen tegen de maatregel van bewaring. Als hij dat niet binnen 28 dagen heeft gedaan, dan stuurt de minister een kennisgeving naar de rechtbank dat hij de vreemdeling in bewaring heeft gesteld. Die kennisgeving geldt dan als beroep. In het wetsvoorstel is bepaald dat, als de vreemdeling zelf beroep instelt, de termijn van 15 dan wel 21 dagen start bij de ontvangst van het beroepschrift.(8)

Wanneer sprake is van een kennisgeving start de termijn al bij de aanvang van de bewaring.(9) Wanneer procedures met een kennisgeving starten en de kennisgeving de rechtbanken niet al op de dag van de inbewaringstelling bereikt, moeten rechtbanken dus nog sneller uitspraak doen dan binnen 15 of 21 dagen.(10) Vaker starten met een kennisgeving betekent ook dat het vooraf indienen van schriftelijke beroepsgronden door de advocaat nog minder vaak zal gebeuren dan nu al het geval is en alles aankomt op de behandeling van het beroep ter zitting van de rechtbank. Tenslotte is voor de toename van de druk op de rechtspraak van belang dat in het AMP in meer gevallen bewaring mogelijk wordt gemaakt.

Korte termijn ook voor andere vormen van bewaring

Ten tweede wijs ik op het volgende. In het wetsvoorstel wordt de keuze gemaakt omwille van ”zoveel mogelijk harmonisatie”(11) ook voor de vormen van bewaring waarvoor het AMP dit niet voorschrijft voortaan uit te gaan van dezelfde korte termijnen. De termijnen van het voorgestelde artikel 94, vijfde lid, gelden immers voor alle soorten bewaring genoemd in het eerste lid van artikel 94 Vw 2000. Daarmee worden de termijnen ook van toepassing voor de terugkeergrensprocedure, zoals geïntroduceerd in artikel 5 van de betreffende Verordening 2024/1349. De Verordening zelf schrijft deze termijnen niet voor. Ook voor bewaring met het oog op uitzetting, zoals geregeld in artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn (2008/115; géén onderdeel van het AMP) zal de korte termijn gelden, terwijl de Terugkeerrichtlijn dit niet voorschrijft.

In het licht van de verzwaring die al voortvloeit uit het AMP, meen ik dat de keuze om die verzwaring ook door te voeren waar het niet hoeft nadere toelichting of afweging behoeft, zo nodig in samenspraak met de rechtspraak.

Wat betreft de gevolgen voor de Afdeling bestuursrechtspraak in hoger beroep in bewaringszaken wijs ik erop dat naar mijn verwachting de grotere druk op de eerstelijns bewaringsrechter zoals hierboven beschreven, ook zal leiden tot een toename in het aantal hoger beroepen met (spoed)verzoeken om opheffing bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Bij de behandeling van die hoger beroepen zal de Afdeling bestuursrechtspraak mogelijk ook vaker ambtshalve op onrechtmatigheden in de bewaring stuiten die door tijdgebrek en grote werkdruk bij de rechtbanken in beroep niet aan het licht zijn gekomen. De Afdeling bestuursrechtspraak is immers op grond van de rechtspraak van het EU-Hof van Justitie net als de rechtbanken gehouden om ook ambtshalve – dus zonder dat het door de vreemdeling is aangevoerd – gebreken in de bewaringsmaatregel vast te stellen. Als de beoordeling door de rechtbank te veel onder druk komt te staan, kan het zijn dat de Afdeling bestuursrechtspraak meer en vaker ambtshalve onderzoek moet doen en dat zij ook meer dan nu tot een vernietiging zal komen.

Conclusie

Afrondend benadruk ik nogmaals dat de uitvoering van het AMP vanaf juni 2026 als zodanig van de procespartijen en de rechtspraak een enorme inspanning zal vragen. Het Pact brengt een grootscheepse herijking van het asielrecht teweeg. De asielrechtspraak zal deze uitdaging – waar nodig met raadpleging van het EU-Hof van Justitie – na invoering moeten aangaan. Gezien het grote aantal nieuwe regels en bijbehorende rechtsvragen zal dit zeker jarenlang een groot beslag leggen op de rechtspraak.

Om de beoogde doelen van het AMP te bereiken (onder meer efficiëntere en snellere besluitvorming) meen ik dat het van belang is om ervoor te zorgen dat de uitvoerende instanties en de rechtspraak hun werk zorgvuldig kunnen doen en niet overbelast worden. Zoals hierboven geschetst, voorzie ik een reëel risico dat de asielprocedures door de gemaakte keuzes juist langer zullen gaan duren. Dat effect zal maar ten dele kunnen worden opgelost door extra menskracht, voor zover die al op zo korte termijn gevonden zou kunnen worden. In dat licht geef ik u in overweging om het wetsvoorstel voor de implementatie van het AMP te beperken tot wat dwingend uit het Pact voortvloeit en elke keuze daarbovenop die tot extra verzwaring leidt, zorgvuldig te bezien.

Ik wijs in dit verband met name op de keuze in dit wetsvoorstel om de termijnen voor beroep in de standaardprocedure asiel te halveren, het in de toelichting geuite voornemen om in de bestuurlijke fase rechtshulp af te schaffen en de keuze om de kortere termijnen voor uitspraak in bewaringszaken ook uit te strekken tot vormen van bewaring waarvoor dat niet verplicht is. Eerder wees ik al op de gevolgen voor de rechtspraak van andere elementen die ook in dit voorstel zijn opgenomen, zoals het afschaffen van de voornemenprocedure en de invoering van een tweestatusstelsel.(12) Alles bij elkaar kunnen deze maatregelen een ontwrichtend effect hebben op het functioneren van de rechtspraak en daarmee de rechtsbescherming. Op het terrein van het asielrecht waar het gaat om grondrechten van mensen die over het algemeen sterk afhankelijk zijn van bijstand, acht ik dit zeer onwenselijk.

Ik verzoek u dan ook de invoering van onverplichte maatregelen bij de invoering van het AMP te heroverwegen, ervan af te zien dan wel deze in een later stadium gefaseerd in te voeren.

Hoogachtend,

de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,

Mr. R. Uylenburg

Voetnoten

(1) Zie ook de adviezen van de Afdeling advisering over die wetsvoorstellen van 5 februari 2025, met nummers W03.24.00362/II en 364/II.

(2) Zie het voorgestelde artikel 69, tweede lid, onderdeel b, van de Vw 2000. In de “verkorte behandelingsprocedure” blijft de termijn in de daar genoemde gevallen (daaronder begrepen de asielgrensprocedure) een week (artikel 69, tweede lid, onder a, van de Vw 2000).

(3) Memorie van toelichting, blz. 28.

(4) Memorie van toelichting, blz. 35.

(5) Artikel 11, derde lid, van de Herschikte Opvangrichtlijn en het voorgestelde artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000.

(6) Zie artikel 11, derde lid, juncto artikel 10, vierde lid, onder d, van de Herschikte Opvangrichtlijn.

(7) Memorie van toelichting blz. 46-47.

(8) Zie voorgesteld artikel 94, vijfde lid, onder b.

(9) Zie voorgesteld artikel 94, vijfde lid, onder a.

(10) Onder het voorgestelde stelsel moet de minister de rechtbank ”onverwijld” in kennis stellen van de bewaring. Dus niet pas na uiterlijk 28 dagen, zoals nu in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald. Zoals in de memorie van toelichting, blz. 46, wordt erkend, zal dit spoed van de zijde van het ministerie vergen.

(11) Memorie van toelichting, blz. 46 laatste alinea.

(12) Zie mijn brief van 2 december 2024 over de wetsvoorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en het Tweestatusstelsel.EINDE

RAAD VAN STATE

SAMENVATTING ADVIEZEN ASIELNOODMAATREGELEN EN

WET INVOERING TWEESTATUSSTELSEL

10 FEBRUARI 2025

https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/februari/adviezen-asielnoodmaatregelen-tweestatus

Gepubliceerd op 10 februari 2025

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert de minister van Asiel en Migratie de wetsvoorstellen Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel in de huidige vorm niet in te dienen bij de Tweede Kamer. Het doel van deze voorstellen is om de asielketen per direct en duurzaam te ontlasten en de instroom van asielzoekers in Nederland te verminderen. In de toelichting bij de wetsvoorstellen wordt echter niet aannemelijk gemaakt dat de maatregelen daadwerkelijk zullen bijdragen aan het beperken van de instroom of een efficiëntere asielprocedure. De kans is groot dat de maatregelen juist tot een extra belasting leiden voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de rechtspraak. Daarbij komt dat Nederland in 2026 het Europese Asiel- en Migratiepact zal moeten uitvoeren. Wanneer de wetsvoorstellen daarop niet goed worden afgestemd, doet dit afbreuk aan de rechtszekerheid en kan dit tot extra problemen leiden in de uitvoering en de rechtspraak.

Asiel en migratie in Nederland

Het maatschappelijk debat over asiel en migratie wordt in Nederland en daarbuiten volop gevoerd. Veel mensen vinden dat mensen die vluchten voor oorlog of vervolging een veilig heenkomen moet worden geboden. Tegelijkertijd zijn veel mensen bezorgd of de Nederlandse samenleving de komst van grote groepen migranten wel kan dragen. Deze zorgen gaan over de sociale samenhang in ons land, maar ook over de toegang tot voorzieningen zoals huisvesting, zorg en onderwijs. Daarbij moet bedacht worden dat niet alleen asielzoekers naar Nederland komen, maar ook arbeidsmigranten, studenten en migranten in het kader van gezinshereniging.

Voor asielmigratie geldt dat de IND en de rechtspraak grote achterstanden rapporteren, waardoor asielzoekers lang moeten wachten op een uitkomst in hun procedures. Tijdens deze procedures verblijven mensen in opvanglocaties die soms overvol zijn.

Onzorgvuldige voorbereiding

De regering heeft besloten om de wetgevingsprocedure versneld te doorlopen vanwege de urgentie van de asielproblematiek. Een beperkt aantal instanties, waaronder de IND en de rechtspraak, heeft slechts één week de tijd gehad om een zienswijze op de wetsvoorstellen te geven. De Afdeling advisering wijst erop dat de inbreng van burgers, uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk in een vroeg stadium van groot belang is om tot goede wetgeving te komen. Hier is in het regeerprogramma ook op gewezen. Dat er een politieke wens is om met spoed stappen te zetten tot aanscherping van het nationale asielbeleid, is onvoldoende grond om stappen in de voorbereiding van wetgeving over te slaan of hiervoor te weinig tijd te nemen. De voorbereiding van deze wetsvoorstellen is dan ook onzorgvuldig geweest.

Effectiviteit en uitvoering

In de toelichting bij de wetsvoorstellen wordt niet verwezen naar inzichten uit de asielpraktijk of wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat de voorgestelde maatregelen zullen bijdragen aan het beperken van de instroom of een efficiëntere asielprocedure. Er zijn daarentegen wel duidelijke aanwijzingen dat bepaalde maatregelen juist zullen leiden tot een verhoging van de belasting van de asielketen. Verschillende maatregelen zullen ertoe leiden dat de IND meer en ook bewerkelijkere beslissingen moet nemen. Over deze beslissingen zal ook meer geprocedeerd worden, wat de druk op de rechtspraak verhoogt. Wanneer procedures langer duren, verblijven mensen bovendien langer in de asielopvang.

Het Europese Asiel- en Migratiepact

In juni 2026 worden de maatregelen uit het Europese Asiel- en Migratiepact van toepassing met als doel de Europese buitengrenzen te versterken. Dit betekent dat de Nederlandse asielwetgeving vóór dat moment ingrijpend moet worden gewijzigd. Uit de toelichting blijkt niet hoe de huidige wetsvoorstellen van de minister zich verhouden tot de maatregelen die nodig zijn om het Asiel- en Migratiepact uit te voeren. Zo’n toelichting is wel nodig, omdat de nu voorgestelde maatregelen al heel snel opnieuw moeten worden aangepast of geschrapt.

Daarbij komt dat de maatregelen uit het Europese pact grote gevolgen hebben voor onder andere de IND en de rechtspraak. Wanneer daarnaast ook de voorliggende wetsvoorstellen in de huidige vorm worden ingevoerd raakt de ontlasting van de asielketen verder uit beeld, terwijl die ontlasting juist een van de hoofddoelen van de wetsvoorstellen is. Een goede afstemming van de wetsvoorstellen met de uitvoering van het Europese pact is daarom noodzakelijk en moet met prioriteit worden opgepakt. In het verlengde hiervan verdient het nadere toelichting waarom (onderdelen van) de wetsvoorstellen niet zijn samengevoegd met het wetsvoorstel ter uitvoering van het Asiel- en Migratiepact.

Grondrechten

De Afdeling advisering maakt verschillende opmerkingen over de juridische houdbaarheid van de wetsvoorstellen. Daarnaast adviseert zij om, ook waar de voorgestelde maatregelen op zichzelf beschouwd juridisch mogelijk zijn, toe te lichten hoe deze zullen worden toegepast in de praktijk. Gebeurt dat niet, dan is het risico dat procedures onzorgvuldig verlopen en grondrechten in de uitvoering worden geschonden omdat hiermee bij de vormgeving van het uitvoeringsbeleid onvoldoende rekening is gehouden. Bijvoorbeeld als blijkt dat de IND en de rechtspraak niet binnen een redelijke termijn kunnen beslissen over de verblijfsrechten van asielzoekers en nareizigers. Dan komt hun recht op een eerlijk proces in het geding.

Juridisch problematisch is dat aan de maatregelen zogeheten onmiddellijke werking wordt verleend. Dat betekent dat het nieuwe recht direct na inwerkingtreding zal worden toegepast, ook in lopende procedures. Dit heeft als gevolg dat verschillende groepen vreemdelingen met verschillende besluiten kunnen worden geconfronteerd, zonder dat daarvoor een goede reden bestaat. Dit leidt tot ongelijke behandeling en strijd met het beginsel van rechtszekerheid.

REACTIE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK 

OP VOORSTEL IMPLEMENTATIE ASIEL- EN

MIGRATIEPACT’

24 FEBRUARI 2025

https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/februari/consultatie-asiel-migratiepact

Gepubliceerd op 24 februari 2025

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op verzoek van het ministerie van Asiel en Migratie haar reactie gegeven op het wetsvoorstel Uitvoerings- en implementatiewet EU Asiel- en Migratiepact 2026. Volgens haar vraagt de uitvoering van het Europese Asiel- en Migratiepact vanaf juni 2026 een enorme inspanning van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de rechtspraak. Het pact betekent een grootscheepse herijking van het asielrecht. Processen moeten opnieuw worden ingericht, termijnen worden korter, nieuwe rechtsvragen moeten worden beantwoord. Om de doelen van het Asiel- en Migratiepact te bereiken is het belangrijk om ervoor te zorgen dat de uitvoerende instanties en de rechtspraak hun werk zorgvuldig kunnen doen en niet overbelast worden, aldus de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak in haar consultatiereactie die vandaag (24 februari 2025) is gepubliceerd.

Europees Asiel- en Migratiepact

In het Europese Asiel- en Migratiepact zijn verordeningen en een richtlijn opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de instroom van asielzoekers naar Nederland en andere Europese lidstaten wordt beperkt en de lasten tussen EU-lidstaten beter worden verdeeld. De nieuwe regels gaan vanaf 12 juni 2026 gelden. Kern van het pact is het versterken van de Europese buitengrenzen door het invoeren van een screening van vreemdelingen en een versnelde grensprocedure voor asielzoekers die afkomstig zijn uit landen met weinig perspectief op verblijf.

Keuzes bij implementatie

Het Europese Asiel- en Migratiepact moet worden geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. Daarvoor dient dit wetsvoorstel. Maar in het wetsvoorstel heeft de minister ook keuzes gemaakt. Verschillende keuzes leiden tot een verzwaring van de belasting voor de uitvoering en de rechtspraak, zonder dat de noodzaak daarvan direct uit het Asiel- en Migratiepact volgt. Het wetsvoorstel halveert bijvoorbeeld de termijnen voor beroep in de standaardprocedure voor asiel en legt kortere termijnen vast voor het doen van uitspraken in meer bewaringszaken dan waar het pact toe verplicht. De toelichting bij het wetsvoorstel kondigt bovendien aan dat wordt gewerkt aan het afschaffen van gesubsidieerde rechtsbijstand. Alles bij elkaar kunnen deze maatregelen een ontwrichtend effect hebben op het functioneren van de rechtspraak en daarmee de rechtsbescherming.

Beperken tot wat dwingend uit pact voortvloeit

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak geeft de minister in haar consultatiereactie dan ook in overweging om het wetsvoorstel voor de implementatie te beperken tot wat het Europese Asiel- en Migratiepact dwingend voorschrijft en elke keuze daarbovenop die tot verzwaring leidt, te heroverwegen, nu niet in te voeren of deze in een later stadium, gefaseerd in te voeren.

Consultatiereactie is geen advies van de Afdeling advisering

De minister van Asiel en Migratie zal de definitieve versie van het wetsvoorstel na verwerking van alle consultatiereacties te zijner tijd voor advies voorleggen aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Dat advies staat los van deze reactie van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op het consultatieverzoek.

NOS

RAAD VAN STATE NEGATIEF OVER ASIELWETTEN:

”DRAGEN NIET BIJ AAN BEPERKEN INSTROOM”

10 FEBRUARI 2025

https://nos.nl/artikel/2555256-raad-van-state-negatief-over-asielwetten-dragen-niet-bij-aan-beperken-instroom

De twee kabinetsvoorstellen voor een strenger asielbeleid moeten zoals ze nu zijn niet worden ingediend bij de Tweede Kamer. Dat oordeelt de Raad van State in een advies waar met spanning naar is uitgekeken door de coalitie.

Het gaat om wetten die volgens het kabinet moeten leiden tot “het strengste asielbeleid ooit”. Maar volgens de Raad van State (RvS) wordt “niet aannemelijk gemaakt” dat de maatregelen zullen bijdragen aan het beperken van de instroom of een efficiëntere asielprocedure.

Het is volgens het adviesorgaan overigens wel “denkbaar” dat er minder asielzoekers komen, maar niet per se aannemelijk. In het advies wordt erop gewezen dat instroom “in grote mate afhankelijk is van internationale en geopolitieke ontwikkelingen” en dat het nationale asielbeleid “een beperkte rol” speelt bij de keuze van asielzoekers waar ze heen gaan.

Meer en ingewikkeldere beslissingen

De Raad van State, een belangrijk adviesorgaan van de regering, voorziet ook problemen in de uitvoering van de wetten. “De kans is groot dat de maatregelen juist tot een extra belasting leiden voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de rechtspraak.”

Als de wetten worden ingevoerd moet de IND volgens de raad meer en ingewikkeldere beslissingen nemen. “Over deze beslissingen zal ook meer geprocedeerd worden, wat de druk op de rechtspraak verhoogt.”

De Raad voor rechtspraak waarschuwde daar eerder ook al voor. Als procedures langer duren, zitten mensen bovendien langer in de asielopvang, schrijft de Raad van State. En de asielopvang is al overvol.

De Raad van State zegt dat de uitvoeringsproblemen kunnen leiden tot “een schending van grondrechten”. Zo komt het recht op een eerlijk proces in het geding als IND en rechters niet op tijd kunnen beslissen. Ook voorziet de raad problemen met het recht op familie- en gezinsleven en de rechten van het kind, omdat gezinshereniging moeilijker wordt gemaakt in de plannen het kabinet.

Politieke wens

In het advies wordt verder de “onzorgvuldige voorbereiding” genoemd. “Dat er een politieke wens is om met spoed stappen te zetten tot aanscherping van het nationale asielbeleid, is onvoldoende grond om stappen in de voorbereiding van wetgeving over te slaan of hiervoor te weinig tijd te nemen”, aldus de Raad van State.

Wat zijn de voorstellen?

Het advies van de raad gaat over twee wetsvoorstellen: over een zogeheten tweestatus-stelsel en een met verschillende maatregelen die ertoe moeten leiden dat er minder asielzoekers naar Nederland komen.

Bij het tweestatusstelsel wordt onderscheid gemaakt tussen mensen die vluchten omdat ze als individu gevaar lopen in hun land (vanwege afkomst, seksuele geaardheid of religie) en groepen mensen die vluchten voor oorlog en (natuur)geweld. Die laatste groep krijgt tijdelijk asiel. Nu bestaat dat onderscheid niet.

Het andere wetsvoorstel regelt het verkorten van de tijdelijke verblijfsvergunning die asielzoekers kunnen krijgen van 5 jaar naar 3 jaar. Onder meer de Raad voor de Rechtspraak uitte al kritiek op de wetsvoorstellen, vanwege de uitvoerbaarheid en oplopende wachttijden en werkdruk.

De adviezen van de Raad van State over de kwaliteit van wetgeving en mogelijke gevolgen voor de uitvoering worden in Den Haag doorgaans zeer serieus genomen. Het staat ministers evenwel vrij om deze adviezen op te volgen of te negeren.

Minister Faber van Asiel hamerde daar ook herhaaldelijk op. “Het advies is niet bindend, ik kan ermee doen wat ik wil”, zei ze vrijdag nog. Haar partij, de PVV, wil dat de wetten zo snel mogelijk door het parlement komen. Partijleider Wilders zei vorige week dat de wetten “snel en ongewijzigd” moeten worden ingevoerd. “Geen aanpassingen en getreuzel en tegenwerkingen meer.”

In de coalitie is de spanning al enkele keren opgelopen vanwege het asielbeleid. De coalitiepartijen zijn het erover eens dat ze de asielopvang willen versoberen en de aantallen asielzoekers in Nederland omlaag willen brengen, maar over de manier waarop verschillen vooral NSC en PVV van mening.

De PVV wil zo snel mogelijk een strenger asielbeleid. NSC zegt zeer te hechten aan goed bestuur en zorgvuldige wetten die uitvoerbaar zijn, inclusief de nieuwe asielwetgeving.

Politiek verslaggever Jorn Jonker

“Naar deze adviezen werd in het kabinet en in de coalitie met spanning uitgekeken. Een deel van die spanning is weg, want de Raad van State had nóg negatiever over de wetten kunnen zijn.

Maar de Raad van State geeft deze voorstellen nog steeds een dikke onvoldoende, het zogeheten dictum C. Er zijn juridische bezwaren, maar de raad voorziet vooral problemen met de uitvoerbaarheid. Deze wetten zouden alleen nog maar meer werk betekenen voor de overbelaste IND en rechtspraak.

De Raad van State adviseert dus om de wetten in deze vorm niet in te dienen. Tegelijkertijd hecht de PVV veel belang aan de snelle invoering van deze wetten. Dat kan flink gaan botsen met regeringspartij NSC. Die partij zegt op te komen voor goed bestuur en zei eerder dat er altijd ruimte moet zijn om te kunnen toetsen op uitvoerbaarheid en wetten te kunnen verbeteren.

Of die ruimte er komt is de vraag, maar het is ook de vraag of NSC die ruimte echt gaat opeisen als dat een politieke crisis zou betekenen. Inhoudelijk is die regeringspartij ook voor zaken als de invoering van het tweestatusstelsel.”

EINDE

Reacties uitgeschakeld voor NOOT 52C/WEES PARAAT!

Opgeslagen onder Divers

NOOT 52B/WEES PARAAT!

[52B]

RAAD VAN STATE

WET INVOERING TWEESTATUSSTELSEL

https://www.raadvanstate.nl/adviezen/@147824/w03-24-00362-ii

Wet invoering tweestatusstelsel.

Kenmerk W03.24.00362/IIDatum aanhangig 20 december 2024Datum vastgesteld 5 februari 2025Datum advies 5 februari 2025Datum publicatie 10 februari 2025Vindplaats Website Raad van State

  • Asiel en Migratie
  • Wet

Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 20 december 2024, no.2024002938, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Asiel en Migratie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (Wet invoering tweestatusstelsel(opent in nieuw venster) (verwijst naar een andere website)), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel is gelijktijdig met het voorstel Asielnoodmaatregelenwet voorgelegd, met het verzoek om over beide voorstellen zo spoedig mogelijk te adviseren. Gelet op dit verzoek en de inhoud van de wetsvoorstellen heeft de Afdeling advisering van de Raad van State deze twee voorstellen in samenhang beoordeeld. (zie noot 1)

De Afdeling adviseert de minister van Asiel en Migratie het wetsvoorstel Wet invoering tweestatusstelsel in de huidige vorm niet in te dienen bij de Tweede Kamer.

Het doel van de voorstellen Asielnoodmaatregelenwet en Wet invoering tweestatusstelsel is om de asielketen per direct en duurzaam te ontlasten en de instroom van asielzoekers in Nederland te verminderen. In de toelichting bij de wetsvoorstellen wordt echter niet aannemelijk gemaakt dat de maatregelen daadwerkelijk zullen bijdragen aan het beperken van de instroom of een efficiëntere asielprocedure. De kans is groot dat de maatregelen juist tot een extra belasting leiden voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de rechtspraak. Daarbij komt dat Nederland in 2026 het Europese Asiel- en Migratiepact zal moeten uitvoeren. Wanneer de wetsvoorstellen daarop niet goed worden afgestemd, doet dit afbreuk aan de rechtszekerheid en kan dit tot extra problemen leiden in de uitvoering en de rechtspraak.

Asiel en migratie in Nederland

Het maatschappelijk debat over asiel en migratie wordt in Nederland en daarbuiten volop gevoerd. Veel mensen vinden dat mensen die vluchten voor oorlog of vervolging een veilig heenkomen moet worden geboden. Tegelijkertijd zijn veel mensen bezorgd of de Nederlandse samenleving de komst van grote groepen migranten wel kan dragen. Deze zorgen gaan over de sociale samenhang in ons land, maar ook over de toegang tot voorzieningen zoals huisvesting, zorg en onderwijs. Daarbij moet bedacht worden dat niet alleen asielzoekers naar Nederland komen, maar ook arbeidsmigranten, studenten en migranten in het kader van gezinshereniging.

Voor asielmigratie geldt dat de IND en de rechtspraak grote achterstanden rapporteren, waardoor asielzoekers lang moeten wachten op een uitkomst in hun procedures. Tijdens deze procedures verblijven mensen in opvanglocaties die soms overvol zijn.

Onzorgvuldige voorbereiding

De regering heeft besloten om de wetgevingsprocedure versneld te doorlopen vanwege de urgentie van de asielproblematiek. Een beperkt aantal instanties, waaronder de IND en de rechtspraak, heeft slechts één week de tijd gehad om een zienswijze op de wetsvoorstellen te geven. De Afdeling wijst erop dat de inbreng van burgers, uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk in een vroeg stadium van groot belang is om tot goede wetgeving te komen. Hier is in het regeerprogramma ook op gewezen. Dat er een politieke wens is om met spoed stappen te zetten tot aanscherping van het nationale asielbeleid, is onvoldoende grond om stappen in de voorbereiding van wetgeving over te slaan of hiervoor te weinig tijd te nemen. De voorbereiding van deze wetsvoorstellen is dan ook onzorgvuldig geweest.

Effectiviteit en uitvoering

In de toelichting bij de wetsvoorstellen wordt niet verwezen naar inzichten uit de asielpraktijk of wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat de voorgestelde maatregelen zullen bijdragen aan het beperken van de instroom of een efficiëntere asielprocedure. Er zijn daarentegen wel duidelijke aanwijzingen dat bepaalde maatregelen juist zullen leiden tot een verhoging van de belasting van de asielketen. Verschillende maatregelen zullen ertoe leiden dat de IND meer en ook bewerkelijkere beslissingen moet nemen. Over deze beslissingen zal ook meer geprocedeerd worden, wat de druk op de rechtspraak verhoogt. Wanneer procedures langer duren, verblijven mensen bovendien langer in de asielopvang.

Het Europese Asiel- en Migratiepact

In juni 2026 worden de maatregelen uit het Europese Asiel- en Migratiepact van toepassing met als doel de Europese buitengrenzen te versterken. Dit betekent dat de Nederlandse asielwetgeving vóór dat moment ingrijpend moet worden gewijzigd. Uit de toelichting blijkt niet hoe de huidige wetsvoorstellen van de minister zich verhouden tot de maatregelen die nodig zijn om het Asiel- en Migratiepact uit te voeren. Zo’n toelichting is wel nodig, omdat de nu voorgestelde maatregelen al heel snel opnieuw moeten worden aangepast of geschrapt.

Daarbij komt dat de maatregelen uit het Europese pact grote gevolgen hebben voor onder andere de IND en de rechtspraak. Wanneer daarnaast ook de voorliggende wetsvoorstellen in de huidige vorm worden ingevoerd raakt de ontlasting van de asielketen verder uit beeld, terwijl die ontlasting juist een van de hoofddoelen van de wetsvoorstellen is. Een goede afstemming van de wetsvoorstellen met de uitvoering van het Europese pact is daarom noodzakelijk en moet met prioriteit worden opgepakt. In het verlengde hiervan verdient het nadere toelichting waarom (onderdelen van) de wetsvoorstellen niet zijn samengevoegd met het wetsvoorstel ter uitvoering van het Asiel- en Migratiepact.

Grondrechten

De Afdeling maakt verschillende opmerkingen over de juridische houdbaarheid van de wetsvoorstellen. Daarnaast adviseert zij om, ook waar de voorgestelde maatregelen op zichzelf beschouwd juridisch mogelijk zijn, toe te lichten hoe deze zullen worden toegepast in de praktijk. Gebeurt dat niet, dan is het risico dat procedures onzorgvuldig verlopen en grondrechten in de uitvoering worden geschonden omdat hiermee bij de vormgeving van het uitvoeringsbeleid onvoldoende rekening is gehouden. Bijvoorbeeld als blijkt dat de IND en de rechtspraak niet binnen een redelijke termijn kunnen beslissen over de verblijfsrechten van asielzoekers en nareizigers. Dan komt hun recht op een eerlijk proces in het geding.

Juridisch problematisch is dat aan de maatregelen zogeheten onmiddellijke werking wordt verleend. Dat betekent dat het nieuwe recht direct na inwerkingtreding zal worden toegepast, ook in lopende procedures. Dit heeft als gevolg dat verschillende groepen vreemdelingen met verschillende besluiten kunnen worden geconfronteerd, zonder dat daarvoor een goede reden bestaat. Dit leidt tot ongelijke behandeling en strijd met het beginsel van rechtszekerheid.

Over dit advies

Omdat de Afdeling de wetsvoorstellen in samenhang heeft beoordeeld, bevatten de adviezen een gelijkluidende algemene beschouwing over de kaders waarbinnen deze wetsvoorstellen moeten worden vormgegeven. Vervolgens worden deze kaders toegepast op het wetsvoorstel waarop het advies betrekking heeft. In dit advies is dat de Wet invoering tweestatusstelsel.

1. Inleiding

De Wet invoering tweestatusstelsel bevat maatregelen om de asielketen te ontlasten en de asielinstroom en het aantal nareizigers in Nederland te verminderen. (zie noot 2) Het wetsvoorstel bevat de volgende drie maatregelen:

–     De invoering van een tweestatusstelsel.

–     Het beperken van nareis tot het kerngezin.

–     Het stellen van aanvullende voorwaarden (een wachttermijn, inkomensvereiste en huisvestingsvereiste) voor nareis bij subsidiair beschermden.

De Wet invoering tweestatusstelsel is gelijktijdig met de Asielnoodmaatregelenwet  (zie noot 3)  ter advisering aan de Afdeling voorgelegd. Met deze voorstellen wordt uitvoering gegeven aan de afspraken in het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma, en de nadere afspraken waarover de Tweede Kamer bij brief van 25 oktober 2024 is geïnformeerd.  (zie noot 4)  De minister van Asiel en Migratie heeft de Afdeling verzocht om zo spoedig mogelijk te adviseren.

Gelet op dit verzoek en de inhoud van de wetsvoorstellen heeft de Afdeling deze twee voorstellen gelijktijdig en in samenhang beoordeeld. Beide adviezen beginnen met een beschrijving van het doel en de inhoud van het wetsvoorstel (punt 2). Dan volgt een (voor beide adviezen gelijkluidende) algemene beschouwing over de kaders waarbinnen deze wetsvoorstellen moeten worden vormgegeven (punt 3). Vervolgens wordt dit kader toegepast op het wetsvoorstel waarop het advies betrekking heeft, in dit geval de Wet invoering tweestatusstelsel. Dit leidt in dit advies tot een opmerking over de gebrekkige voorbereiding van het wetsvoorstel (punt 4), de beoordeling van effectiviteit en uitvoerbaarheid (punt 5) en de samenloop met het Europese Asiel- en Migratiepact (punt 6). Daarna volgt een opmerking over het belang van rechtszekerheid en gelijke behandeling bij de vormgeving van het overgangsrecht (punt 7). Het advies sluit af met een opmerking over nareis en de voorwaarden die daaraan worden gesteld (punt 8). Tot slot geeft de Afdeling haar oordeel over het wetsvoorstel (punt 9).

2. Het doel en de inhoud van het voorstel

a. Het doel van het voorstel
In de toelichting wordt beschreven dat de inzet van de regering is om grip te krijgen op migratie en de asielinstroom te beperken.  (zie noot 5)  De totale asielinstroom bestaat volgens de toelichting voor 25 procent uit nareizende gezinsleden van asielzoekers die een positieve beslissing van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) hebben ontvangen en in Nederland mogen blijven. Twee derde van deze nareizigers volgt een asielzoeker die geen verdragsvluchteling is, maar iemand die subsidiair beschermd wordt.

Volgens de toelichting loopt het systeem vast. De werkvoorraden bij de IND worden groter. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) moet steeds meer mensen opvangen. De woningmarkt kan de instroom van statushouders niet absorberen met langere wachttijden voor woningzoekenden tot gevolg. Nareizigers komen als gevolg hiervan met regelmaat in de noodopvang terecht. Door overbezetting van opvanglocaties ontstaan onveilige situaties voor zowel bewoners als medewerkers. Noodopvanglocaties voldoen niet aan het gewenste voorzieningenniveau en zijn bovendien relatief duur. Er zijn volgens de toelichting tekorten aan zorg en onderwijs. Al met al zijn de kosten van de migratieketen volgens de toelichting exceptioneel gestegen.

b. De voorgestelde maatregelen
Op dit moment kan ingevolge de Vreemdelingenwet 2000  (zie noot 6)  een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling “die verdragsvluchteling is” (vluchteling),  (zie noot 7)  of “die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade” (subsidiaire bescherming).  (zie noot 8)  Deze verleningsgronden volgen uit de Europese Kwalificatierichtlijn en zijn gebaseerd op het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). In Nederland is ervoor gekozen dat de met de verblijfsvergunning verleende verblijfsstatus identiek is. Dat betekent dat elke vreemdeling van wie het verzoek om internationale bescherming wordt ingewilligd, dezelfde rechten en plichten heeft. Dit wordt wel het éénstatusstelsel genoemd.

Het wetsvoorstel wijzigt dit éénstatusstelsel in een tweestatusstelsel, waarin aan vreemdelingen met de vluchtelingenstatus (ook wel: de a-status) een andere asielvergunning wordt verleend dan aan vreemdelingen met de zogeheten subsidiaire beschermingsstatus (ook wel: de b-status). Dit maakt het mogelijk dat aanvullende en strikte voorwaarden worden geïntroduceerd voor de nareis van gezinsleden van subsidiair beschermden. Deze voorwaarden zijn 1) een wachttermijn van twee jaar tussen de inwilliging van de asielaanvraag en de verstrekking van de afgeleide asielvergunning aan de nareiziger, 2) de subsidiair beschermde beschikt zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan, en 3) de subsidiair beschermde beschikt over huisvesting. Daarnaast komt alleen het kerngezin in aanmerking voor gezinshereniging via nareis.

Door deze maatregelen komen volgens de toelichting minder mensen naar Nederland op grond van nareis. De mensen die wel komen, zijn zelfredzamer door de voorwaarden die aan hun komst worden gesteld. Hiermee zal de druk op de asielketen, en daarmee ook de druk op de huisvesting, zorg en het onderwijs, verminderen. Het Nederlandse asielbeleid wordt volgens de toelichting zo bovendien meer in lijn gebracht met dat van andere lidstaten, waardoor Nederland als bestemming niet aantrekkelijker is dan landen om ons heen.  (zie noot 9)

3. Algemene beschouwing

a. Asiel en migratie in Nederland
Het maatschappelijk debat over asiel en migratie wordt in Nederland en daarbuiten volop gevoerd. Veel mensen vinden dat mensen die vluchten voor oorlog of vervolging een veilig heenkomen moet worden geboden. Tegelijkertijd zijn veel mensen bezorgd of de Nederlandse samenleving de komst van grote groepen migranten wel kan dragen. Deze zorgen gaan over de sociale samenhang in ons land, maar ook over de toegang tot voorzieningen zoals huisvesting, zorg en onderwijs.  (zie noot 10)  Daarbij moet bedacht worden dat niet alleen asielzoekers naar Nederland komen, maar ook arbeidsmigranten, studenten en migranten in het kader van gezinshereniging. Van verschillende kanten is de regering aangespoord om tot een integrale visie op asiel en migratie te komen en om van daaruit keuzes te maken over hoeveel asiel-, arbeids-, studie- en gezinsmigratie wordt toegelaten en onder welke voorwaarden.  (zie noot 11)

Uit de Staat van de Migratie 2024 blijkt dat in 2022 en 2023 circa 50.000 asielaanvragen zijn gedaan, waarvan in 2023 38.000 eerste aanvragen en 10.000 aanvragen van nareizigers. In totaal zijn in 2023 ongeveer 27.000 asielvergunningen verleend.  (zie noot 12)  De maandelijkse rapportages over de instroom van de IND laten in 2024 geen grote wijzigingen ten opzichte van voorgaande jaren zien.  (zie noot 13)  De IND en de rechtspraak rapporteren substantiële achterstanden,  (zie noot 14)  waardoor asielzoekers en nareizigers lang moeten wachten op een uitkomst in hun procedures. Gedurende deze procedures verblijven vreemdelingen soms langdurig in opvanglocaties met slechts basale voorzieningen.  (zie noot 15)

b. De constitutionele en juridische context
Bij de vormgeving van het asiel- en migratiebeleid moet de constitutionele en juridische context in ogenschouw worden genomen. In het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties uit 1951 en het Protocol van 1967 zijn de rechten van vluchtelingen vastgelegd.  (zie noot 16)  Het kernprincipe van dit verdrag is het beginsel van ‘non-refoulement’, wat inhoudt dat een vluchteling niet mag worden teruggestuurd naar een land waar zijn of haar leven ernstig wordt bedreigd. Dit principe is ook vastgelegd in andere internationale verdragen waaraan Nederland gebonden is, zoals het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: EU-Handvest), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en het VN-Verdrag tegen Foltering.  (zie noot 17)

Met het Vluchtelingenverdrag moet binnen de Europese Unie (EU) rekening worden gehouden bij de ontwikkeling van een gemeenschappelijk asielbeleid.  (zie noot 18)  Het gemeenschappelijk asielbeleid van de EU omvat verschillende richtlijnen, waarvan er enkele voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel van bijzonder belang zijn. In de Kwalificatierichtlijn zijn criteria vastgelegd op basis waarvan de vluchtelingenstatus of een subsidiaire beschermingsstatus wordt verleend.  (zie noot 19)  In de Procedurerichtlijn zijn minimumnormen opgenomen waaraan de asielprocedure moet voldoen.  (zie noot 20)  Verder worden in de Gezinsherenigingsrichtlijn diverse aspecten op het terrein van gezinshereniging geregeld,  (zie noot 21)  regelt de Langdurig Ingezetenenrichtlijn het verblijfsrecht van langdurig in de EU verblijvende vreemdelingen,  (zie noot 22)  en geeft de Terugkeerrichtlijn regels voor de terugkeer van vreemdelingen zonder verblijfsrecht naar hun land van herkomst.  (zie noot 23)  Deze richtlijnen zijn binnen de Nederlandse rechtsorde geïmplementeerd in de Vreemdelingenwet 2000. Daarbij heeft Nederland enige speelruimte, maar die is binnen de internationale en Europese kaders wel beperkt.

Noemenswaardig in dit verband is dat het Europese asielbeleid aan de vooravond staat van een grote hervorming.  (zie noot 24)  Vanaf 12 juni 2026 gaat de regelgeving gelden die onderdeel vormt van het Europese Asiel- en Migratiepact. De hierboven genoemde richtlijnen worden grotendeels vervangen door verordeningen. Dit heeft als gevolg dat de Vreemdelingenwet 2000 op korte termijn ingrijpend gewijzigd moet worden en onderdelen daarvan moeten worden geschrapt.  (zie noot 25)  Ook de Nederlandse uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk zullen zich moeten voorbereiden op de nieuwe Europese en nationale wet- en regelgeving. Het wetsvoorstel ter uitvoering van het pact is op dit moment in internetconsultatie en bevat verschillende onderdelen die overlappen met het voorliggende wetsvoorstel.  (zie noot 26)

Tot slot is van belang dat bij de vormgeving en de uitvoering van asiel- en migratiebeleid de grondrechten in acht worden genomen zoals deze zijn vervat in onder meer de Grondwet, het EVRM en het EU-Handvest. In het bijzonder relevant zijn hierbij het verbod op discriminatie, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op familie- en gezinsleven.  (zie noot 27)  Wanneer migranten willen procederen over het krijgen of behouden van verblijfsrechten van henzelf of hun naasten in het kader van gezinshereniging, hebben zij bovendien recht op een eerlijk proces.  (zie noot 28)  Dat betekent onder meer dat een migrant in de gelegenheid moet worden gesteld om standpunten kenbaar te maken en dat besluitvorming binnen een redelijke termijn moet plaatsvinden.

c. Kwaliteit van wet- en regelgeving
Bij de totstandkoming van nieuwe regels op het terrein van asiel en migratie moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen die voor alle wet- en regelgeving gelden.  (zie noot 29)  Zo is van belang dat duidelijk is waarom nieuwe regelgeving wordt ingevoerd. Dat betekent dat moet worden gedefinieerd wat het doel van de regelgeving is en dat moet worden uitgelegd waarom het nodig is om de nieuwe regels in te voeren met het oog op het realiseren van dit doel. Dit vraagt om een zorgvuldige analyse van het maatschappelijk probleem dat de wetgever beoogt aan te pakken. Bij de keuze van een oplossing voor dat probleem moet worden beoordeeld of deze oplossing effectief is, of niet met een lichter middel kan worden volstaan en of de kosten en lasten van een oplossing in verhouding staan tot het doel.

Daarnaast is relevant of uitvoeringsorganisaties en de (rechts)praktijk met een bepaalde oplossing uit de voeten kunnen, dus of een regeling uitvoerbaar is.  (zie noot 30)  De regering wijst terecht zelf al op het belang van uitvoerbaarheid, net als op de gevolgen die het voor burgers, en hun vertrouwen in de overheid, kan hebben als hieraan onvoldoende aandacht wordt besteed.  (zie noot 31)

Bij de inschatting van de effectiviteit en uitvoerbaarheid van wetgeving dient waar mogelijk gebruik te worden gemaakt van ervaringsgegevens en wetenschappelijke inzichten ten aanzien van de verwachte doeltreffendheid en doelmatigheid van het wetsvoorstel (‘evidence-based’ wetgeving). In de memorie van toelichting moet worden ingegaan op deze aspecten.  (zie noot 32)  Dit is niet alleen belangrijk voor de parlementaire behandeling en het maatschappelijk draagvlak, maar ook voor het geval dat in de praktijk vragen rijzen over de wijze waarop regels moeten worden uitgelegd of uitgevoerd.

Om tot goede wet- en regelgeving te komen is ook de inbreng van burgers, uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk in een vroeg stadium van groot belang.  (zie noot 33)  Hun inbreng geeft inzicht in de aard en omvang van het maatschappelijk probleem en de functionaliteit van bepaalde maatregelen, wat de kans vergroot dat de gekozen oplossing het beoogde doel zal bereiken. Daarnaast kunnen deze actoren vanuit hun praktijkervaring ideeën aanreiken over alternatieve mogelijkheden om problemen aan te pakken en inzicht geven in eventuele ongewenste bijeffecten van een maatregel. Ook kunnen uitvoeringsorganisaties inschatten wat nieuwe wet- of regelgeving betekent voor de organisatie en de personeelsinzet en welke kosten daarbij horen. De consultatie van uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk en de internetconsultatie zijn daarom belangrijke onderdelen van de wetgevingsprocedure, waarvan alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken.  (zie noot 34)

4. Voorbereiding en consultatie

Uit de toelichting blijkt dat de regering het gelet op de urgentie van het wetsvoorstel noodzakelijk heeft geacht om het wetgevingsproces versneld te doorlopen.  (zie noot 35)  Het wetsvoorstel is gedurende één week in consultatie gegeven bij de Raad voor de rechtspraak (Rvdr),  (zie noot 36)  de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS),  (zie noot 37)  de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA)  (zie noot 38)  en de IND.  (zie noot 39)  De Adviesraad Migratie is niet geraadpleegd, terwijl deze raad een wettelijke taak heeft om over aanpassingen van het vreemdelingenrecht te adviseren.  (zie noot 40)  Ook andere relevante instanties zoals het COA en het College voor de Rechten van de Mens (zie noot 41) is niet om advies gevraagd. Verder is geen gebruik gemaakt van internetconsultatie, zonder dat wordt toegelicht waarom daarvan is afgezien. Hierdoor zijn burgers en maatschappelijke organisaties niet in de gelegenheid geweest om uit eigen beweging formeel op het wetsvoorstel te reageren. (zie noot 42)

De instanties die wel geconsulteerd zijn, spreken hun zorgen uit over de snelheid waarmee het wetsvoorstel is voorbereid en de korte tijd die voor de consultatie is gegeven. De genoemde instanties stellen dat zij in één week (nog) niet in staat zijn geweest om de gevolgen van het wetsvoorstel goed in kaart te brengen. Geen van de instanties heeft een impactanalyse of uitvoeringstoets kunnen afronden, waardoor er geen volledig zicht is op de benodigde capaciteit en de bijbehorende kosten op de korte en de lange termijn.

In de toelichting wordt vermeld dat de inwerkingtreding van het voorstel waar nodig pas aan de orde is als de IND en andere relevante organisaties in staat zijn om uitvoering te geven aan de desbetreffende maatregelen.  (zie noot 43)  De Afdeling acht het echter ontoereikend dat pas bij een latere beslissing over het moment van inwerkingtreding rekening wordt gehouden met de (on)mogelijkheden van organisaties om uitvoering aan een nieuw wetsvoorstel te geven. Het tijdig hebben van inzicht in de uitvoeringslasten en de uitvoerbaarheid van regelgeving is van belang bij de beoordeling van het wetsvoorstel zélf, inclusief de beantwoording van de vraag of alternatieve, minder belastende maatregelen kunnen worden getroffen. Ook voor de parlementaire behandeling zijn zulke inzichten van groot belang.

De Afdeling merkt op dat het in dit voorstel niet gaat om de toepassing van noodrecht en evenmin om door acute omstandigheden afgedwongen maatregelen met een tijdelijk karakter. Het betreft hier uiteenlopende, structurele maatregelen die beogen uitdrukking te geven aan de politieke wens om met spoed stappen te zetten tot aanscherping van het nationale asielbeleid. Dit is echter onvoldoende grond om stappen in de voorbereiding van wetgeving over te slaan of hiervoor te weinig tijd te nemen. De druk op de asielketen is al langere tijd groot en is niet in recente maanden sterk toegenomen. Verschillende maatregelen waren bovendien al in mei 2024 aangekondigd in het Hoofdlijnenakkoord, maar hebben kennelijk pas in december 2024 geleid tot het voorliggende wetsvoorstel. Dit wijst niet op het bestaan van bijzondere omstandigheden die afwijkingen van de normale wetgevingsprocedure rechtvaardigen.

Door het aantal consultaties te beperken en geconsulteerde partijen onvoldoende tijd te geven voor het geven van een reactie en het uitvoeren van een uitvoeringstoets, is de voorbereiding van het wetsvoorstel onzorgvuldig geweest. Dit is niet alleen problematisch vanuit het perspectief van wetgevingskwaliteit en het belang van een ordentelijk wetgevingsproces. Dit maakt het ook moeilijk om de effectiviteit en uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel goed in te schatten.

5. Effectiviteit en uitvoerbaarheid

a. Effectiviteit
De regering stelt voor de kring van gezinsleden die voor nareis in aanmerking komen te beperken en een tweestatusstelsel in te voeren om beperkingen en voorwaarden te kunnen stellen aan nareis bij subsidiair beschermden. De Afdeling wijst erop dat Nederland tot 2000 ook een meerstatusstelsel kende.  (zie noot 44)  De voornaamste reden waarom de wetgever besloot over te gaan op een éénstatusstelsel, is dat vreemdelingen in de praktijk vaak doorprocedeerden om een sterkere asielstatus te verkrijgen. Het resultaat was een hoge werklast in de asielketen.  (zie noot 45)  Sinds de invoering van het éénstatusstelsel is doorprocederen niet meer mogelijk, omdat een vreemdeling er geen betere rechtspositie mee kan bemachtigen en dus geen procesbelang heeft.  (zie noot 46)  De andere reden voor afschaffing van het meerstatusstelsel was dat dit zorgde voor een vereenvoudiging van het asielstelsel.  (zie noot 47)

Deze redenen voor de afschaffing van het meerstatusstelsel zijn nog steeds actueel en relevant voor dit wetsvoorstel. De regering weerspreekt ook niet dat de uitvoeringsconsequenties bij een gelijkblijvende instroom van asielzoekers groot zijn, maar veronderstelt dat deze instroom op lange termijn zal afnemen.  (zie noot 48)  In de toelichting worden echter geen cijfers gepresenteerd waaruit blijkt hoe groot deze afname zal zijn en op welke termijn deze kan worden verwacht.

Hoewel het denkbaar is dat de voorgestelde maatregelen zullen leiden tot een vermindering van de instroom, zijn bij deze veronderstelling verschillende kanttekeningen te plaatsen. Uit onderzoek blijkt dat de instroom van asielzoekers in grote mate afhankelijk is van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. De keuze voor een bepaalde bestemming hangt vooral samen met de aanwezigheid van een sociaal netwerk. Het nationale asielbeleid speelt slechts een beperkte rol bij de keuze voor een bestemmingsland door asielzoekers.  (zie noot 49)

In de toelichting wordt bovendien niet uitgewerkt in hoeverre de Nederlandse voorwaarden verschillen van andere landen. Hierdoor is onvoldoende duidelijk of de verschillen dusdanig zijn dat het aannemelijk is dat Nederland een aantrekkelijker bestemmingsland is in vergelijking met andere landen, en welke gevolgen dit zal hebben voor de instroom. Hoe dan ook geldt dat het asielbeleid tussen de EU-lidstaten al sterk is geharmoniseerd en dat nog bestaande verschillen met de komst van het Europese Asiel- en Migratiepact – dus met ingang van 12 juni 2026 – nog verder verkleind zullen worden (zie verder punt 6 van dit advies).

De potentiële vermindering van de instroom als gevolg van de voorgestelde nareisbeperkingen moet, indien al van daadwerkelijke vermindering sprake zal zijn, evenmin worden overschat. Voor naasten van een gezinshereniger blijven ook met de voorgestelde beperkingen van nareis andere mogelijkheden bestaan om alsnog een verblijfsstatus in Nederland te verkrijgen. Zij kunnen bijvoorbeeld een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat er familie- of gezinsleven tussen meerderjarige kinderen en hun ouders bestaat wanneer zij in het land van herkomst samenwoonden en de kinderen geen eigen gezin hebben gevormd. Zogeheten ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zijn daarvoor niet nodig. Voor ongehuwde partners geldt dat er de facto familieleven moet bestaan, hetgeen kan blijken uit bijvoorbeeld samenwoning, de duur van de relatie en gezamenlijk ouderschap. Deze aanvragen om gezinshereniging moeten volgens vaste rechtspraak met grote voortvarendheid en welwillendheid worden behandeld.  (zie noot 50)

b. Uitvoerbaarheid
Terwijl onduidelijk is in hoeverre de voorgestelde maatregelen zullen leiden tot een beperking van de instroom, zijn er wel duidelijke aanwijzingen dat zij zullen leiden tot een verhoging van de belasting van de asielketen. In de toelichting wordt onderkend dat de invoering van het tweestatusstelsel gevolgen heeft voor de asielketen en de rechtspraak.  (zie noot 51)  Zo gaat de regering ervan uit dat 75 procent van de vreemdelingen die subsidiaire bescherming krijgen daartegen in beroep zal gaan met het doel een (gunstigere) vluchtelingenstatus te krijgen. In de toelichting worden geen concrete cijfers genoemd waaruit blijkt hoeveel vreemdelingen subsidiaire bescherming krijgen. Het is wenselijk dat de toelichting op dit punt wordt aangevuld om een beeld te geven van hoeveel vreemdelingen naar verwachting in beroep zullen gaan.

Het verwachte hoge aantal beroepen heeft verschillende gevolgen voor de IND, de rechtspraak en de advocatuur. De IND zal met het oog op verwachte beroepen uitvoeriger moeten motiveren waarom een vreemdeling geen vluchtelingenstatus krijgt. Ook verwacht de IND een aanvullende belasting door in beroep geconstateerde motiveringsgebreken. De rechtspraak zal in eerste aanleg en hoger beroep verder meer zaken te behandelen krijgen. Uit de consultatiereacties blijkt dat de IND, de Rvdr en ABRvS de alarmbel luiden over deze uitvoeringsconsequenties.

Ook de aanvullende voorwaarden voor nareis kunnen leiden tot een hogere werklast voor de uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk. De IND zal immers moeten toetsen of aan alle voorwaarden is voldaan. Bij een afwijzing van een aanvraag moet ambtshalve worden getoetst of de naaste op grond van artikel 8 EVRM geen vergunning moet krijgen. Dat vraagt vanwege de verschillende criteria waaraan moet worden getoetst en de individuele belangenafweging die moet worden gemaakt een complexe beoordeling, waarover naar verwachting vaak zal worden geprocedeerd. Volgens de toelichting vergen de inperkingen op het recht op nareis dan ook een hogere besliscapaciteit bij de IND. (zie noot 52)

Het ontbreekt in de toelichting verder aan inzicht in de manier waarop dit wetsvoorstel zal uitwerken in samenhang bezien met de maatregelen in de Asielnoodmaatregelenwet. Het is immers mogelijk dat een individuele maatregel afzonderlijk bezien uitvoerbaar is en bijdraagt aan het realiseren van (een van) de gestelde doelen, maar dat de samenloop van maatregelen tot problemen voor de uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk leidt. De regering wijst zelf op de noodzaak om complexiteit van regelgeving terug te dringen.  (zie noot 53)  Ook de IND en het COA wijzen in de Stand van Uitvoering 2024 op de noodzaak van een vereenvoudiging van bestaand beleid.  (zie noot 54)  Het onderhavige wetsvoorstel zal het bestaande asielsysteem echter verder compliceren.

Een hogere belasting voor de asielketen zal financiële consequenties hebben. De financiële paragraaf in de toelichting geeft geen compleet overzicht van de kosten die met dit voorstel gepaard gaan. De IND schat in dat de invoering van het tweestatusstelsel tussen de € 25 en € 60 miljoen zal kosten en de aanvullende voorwaarden voor nareis circa € 25 miljoen. De Rvdr schat dat de kosten van dit wetsvoorstel voor de rechtspraak circa € 47 miljoen zullen bedragen. (zie noot 55)  De ABRvS en de advocatuur hebben geen indicatie gegeven van de financiële gevolgen.

Uit de meerjarenbegroting blijkt bovendien dat vanaf 2027 sterk bezuinigd op de asielketen.  (zie noot 56)  Hierdoor lijkt niet te worden voorzien in de financiële middelen die nodig zijn om de bestaande achterstanden weg te werken en uitvoering te geven aan de maatregelen in dit wetsvoorstel. Dit terwijl uit verschillende rapporten blijkt dat de huidige knelpunten in de asielketen juist grotendeels veroorzaakt zijn door bezuinigingen in tijden van afnemende aantallen asielzoekers. Deze rapporten wijzen op het belang van stabiele financiering.  (zie noot 57)

c. Beoordeling
Het wetsvoorstel beoogt de asielketen te ontlasten en de asielinstroom en het aantal nareizigers in Nederland te verminderen. In de toelichting wordt de effectiviteit van de maatregelen voor het bereiken van deze doelen niet aannemelijk gemaakt. Er wordt niet verwezen naar inzichten uit de asielpraktijk of de wetenschap waaruit blijkt dat redelijkerwijze te verwachten valt dat de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk leiden tot een beperking van de instroom of efficiëntere asielprocedures.

Tegelijkertijd blijkt uit de verschillende consultatiereacties dat een aantal maatregelen grote gevolgen zal hebben voor de asielketen en dat – voor zover betrokken partijen de gevolgen hebben kunnen beoordelen (zie ook punt 4) – de belasting daarvan eerder zal verhogen dan verlagen. Daardoor ligt het bovendien voor de hand dat asielprocedures langer gaan duren. Dit betekent ook dat asielzoekers langer gebruik maken van de asielopvang, waarvan de capaciteit op dit moment al ontoereikend is.

De Afdeling merkt ten slotte op dat uitvoeringsproblemen in de praktijk kunnen leiden tot een schending van grondrechten. Wanneer de IND en de rechtspraak niet binnen een redelijke termijn kunnen beslissen over de verblijfsrechten van asielzoekers en nareizigers, komt hun recht op een eerlijk proces in het geding. In het kader van gezinshereniging zijn bovendien het recht op familie- en gezinsleven en de rechten van het kind relevant. Doordat verschillende procedures doorlopen moeten worden, waarin telkens vertraging kan optreden, kan dit leiden tot een langdurige scheiding van gezinsleden.  (zie noot 58)  Ook vanuit dit perspectief is het van belang om aan de uitvoerbaarheid grote prioriteit te geven.

In de toelichting bij het wetsvoorstel is niet aannemelijk gemaakt dat de voorgestelde maatregelen voldoende zullen bijdragen aan de afname van de asielinstroom om de verwachte uitvoeringsconsequenties te kunnen compenseren. De kans is groot dat dit wetsvoorstel in ongewijzigde vorm juist tot een extra belasting van de asielketen leidt, terwijl het per direct en duurzaam ontlasten van die keten één van de twee hoofddoelen van het voorstel is. De Afdeling adviseert de maatregelen opnieuw te bezien, voor iedere maatregel dragend te motiveren waarom deze effectief en uitvoerbaar is, en anders van de maatregel af te zien.

6. De samenloop met het Europese Asiel- en Migratiepact

Zoals hiervoor is vermeld, staat het Europese asielbeleid aan de vooravond van een grote hervorming met de invoering van het Europese Asiel- en Migratiepact. Het pact zorgt er onder meer voor dat vreemdelingen aan de buitengrenzen van de Europese Unie worden gescreend en dat er een versnelde grensprocedure komt voor asielzoekers uit landen met een laag inwilligingspercentage. Ook bevat het pact geharmoniseerde regels op het terrein van het asielrecht, zowel inhoudelijk als procedureel. Deze regels zijn grotendeels neergelegd in verordeningen en werken als zodanig rechtstreeks door in het nationale recht. Wel moet hieraan in het nationale recht uitvoering worden gegeven. Dit is, zo vermeldt het regeerprogramma, essentieel voor het beperken van de instroom in Nederland.  (zie noot 59)  In verband hiermee moet de Vreemdelingenwet 2000 uiterlijk voor 12 juni 2026 vérgaand worden gewijzigd.

De toelichting bij het wetsvoorstel bevat een summiere passage over het Asiel- en Migratiepact. De regering vermeldt daarin dat er samenhang bestaat tussen het wetsvoorstel en het pact, maar dat zij de inwerkingtreding van de voorgestelde maatregelen niet wenst uit te stellen tot na de invoering van het pact. Het is volgens de regering namelijk niet verantwoord om de maatregelen pas in 2026 in te voeren. Wel zal bij het bepalen van de inwerkingtredingsdatum van de maatregelen uit het wetsvoorstel rekening worden gehouden met de uitvoerbaarheid ervan voor de uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak, aldus de toelichting.  (zie noot 60)  Eventuele samenloop van het pact met het voorliggende wetsvoorstel zal volgens de toelichting worden geadresseerd in de uitvoeringswetgeving voor het pact.  (zie noot 61)

De Afdeling merkt op dat deze toelichting onvoldoende concreet is. Daaruit wordt immers niet duidelijk hoe de voorgestelde maatregelen zich tot het Asiel- en Migratiepact verhouden. Een grondige toelichting daarvan is wel gewenst, omdat uitvoering van het pact gevolgen kan hebben voor verschillende onderdelen van het wetsvoorstel. Zo volgen de voorwaarden voor een asielstatus vanaf 1 juli 2026 rechtstreeks uit de Kwalificatieverordening en dus niet meer uit de Vreemdelingenwet 2000,  (zie noot 62)  verplicht diezelfde verordening dan tot het verlenen van verblijfstitels aan gezinsleden van asielgerechtigden,  (zie noot 63)  en geeft de Procedureverordening dan uniforme regels voor de behandeling van asielaanvragen.  (zie noot 64)  Bepalingen die nu in de Vreemdelingenwet 2000 worden opgenomen, moeten mogelijk daardoor over een jaar alweer worden aangepast of geschrapt.

Ook voor zover de relevante onderdelen van het pact inhoudelijk niet verschillen van het wetsvoorstel, is een nadere toelichting op de samenloop gewenst. Het pact kan immers ook tot wetstechnische aanpassingen nopen. De consultatieversie van het wetsvoorstel ter uitvoering van het pact wijst in deze richting. Daarin worden de gronden voor asiel en de inperkingen van het recht op nareis verspreid over vijf wetsartikelen, terwijl het voorliggende wetsvoorstel dit regelt in twee artikelen.  (zie noot 65)

Het is onwenselijk als voorgestelde maatregelen op korte termijn weer moeten worden aangepast of ingetrokken. Dit is niet alleen problematisch vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, maar ook vanwege de met dergelijke wijzigingen gemoeid gaande uitvoeringsconsequenties. Zo zullen uitvoeringsinstanties hun werkwijze verschillende keren moeten aanpassen aan de nieuwe regels en zal de rechtspraak verschillende keren geconfronteerd worden met nieuwe rechtsvragen. Door deze cumulatie raakt de ontlasting van de asielketen eerder verder uit beeld dan dat dit doel, zoals het wetsvoorstel beoogt, dichterbij wordt gebracht. De Rvdr en de IND hebben daarom verzocht het onderhavige wetsvoorstel niet in te voeren voordat het Asiel- en Migratiepact is geïmplementeerd.  (zie noot 66)

Tegen deze achtergrond is het aangewezen dat niet alleen de toelichting bij het wetsvoorstel wordt aangevuld, maar ook de inhoud en vormgeving van het wetsvoorstel zelf wordt afgestemd met die van het wetsvoorstel tot uitvoering van het Asiel- en Migratiepact. Daarbij is van belang dat het wetsvoorstel tot uitvoering van het pact op relatief korte termijn aan de Staten-Generaal moet worden voorgelegd, wil de regering de uitvoeringstermijn van medio 2026 halen. De regering heeft de Europese Commissie bij brief van 18 september 2024 ook medegedeeld prioriteit te geven aan de uitvoering van het pact.  (zie noot 67)  Volgens het nationaal implementatieplan wenst de regering dat wetsvoorstel begin 2025 aan de Staten-Generaal voor te leggen.  (zie noot 68)

In het verlengde hiervan verdient het nadere toelichting waarom (onderdelen van) het wetsvoorstel niet zijn samengevoegd met het wetsvoorstel ter uitvoering van het Asiel- en Migratiepact. Deze benadering zou voorkomen dat inhoudelijk overeenkomende regels twee keer het wetgevingsproces moeten doorlopen, en dat de praktijk in korte tijd met verschillend vormgegeven regels wordt geconfronteerd. Uiteindelijk zou dit ook kunnen bijdragen aan de effectiviteit en uitvoerbaarheid van de maatregelen. Voor zover in overeenstemming met het Unierecht zouden onderdelen van het geïntegreerde wetsvoorstel eventueel vervroegd in werking kunnen worden gesteld.

De Afdeling adviseert gelet op het voorgaande om de toelichting bij het wetsvoorstel aan te vullen met een overzicht van relevante bepalingen uit het Asiel- en Migratiepact en uit te leggen hoe de voorgestelde maatregelen zich tot die bepalingen verhouden. In het verlengde daarvan adviseert de Afdeling om de inhoud en vormgeving van het voorliggende wetsvoorstel af te stemmen met die van de uitvoeringswet bij het Asiel- en Migratiepact, en in dat verband te overwegen om (onderdelen van) de twee wetsvoorstellen samen te voegen.

7. Rechtszekerheid, gelijke behandeling en procedurele gevolgen

Het wetsvoorstel bevat geen overgangsrecht. Volgens de regering heeft dit tot gevolg dat de maatregelen onmiddellijke werking hebben vanaf het tijdstip van inwerkingtreding.  (zie noot 69)  Dit betekent dat zij van toepassing zullen zijn op lopende aanvragen of de verlenging van vergunningen waarop nog geen beslissing is genomen. Voor zover het Vreemdelingenbesluit 2000 een ander uitgangspunt hanteert,  (zie noot 70)  zal dit worden aangepast, aldus de regering.

Hoewel het uitgangspunt is dat nieuwe regelgeving in werking treedt met onmiddellijke werking,  (zie noot 71)  dient een keuze hiervoor wel te worden gemotiveerd. Wanneer een maatregel onmiddellijke werking heeft, betekent dit namelijk dat bestaande rechtsverhoudingen per direct onder de werking van die maatregel vallen. Dat kan op gespannen voet staan met de rechtszekerheid.  (zie noot 72)  In de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt dan ook als alternatief de mogelijkheid genoemd om een regeling zogeheten eerbiedigende of uitgestelde werking te verlenen.  (zie noot 73)  Eerbiedigende werking houdt in dat bepaalde ‘oude’ gevallen onder het oude recht blijven vallen. Uitgestelde werking houdt in dat het nieuwe recht pas na een bepaalde periode in werking treedt. De beantwoording van de vraag of eerbiedigende of uitgestelde werking wordt toegekend, vergt een belangenafweging. In dit verband is onder meer van belang of in de praktijk verwachtingen zijn ontstaan over het voortduren van bepaalde situaties, dan wel het intreden van bepaalde rechtsgevolgen, waaraan de nieuwe regeling afbreuk zal doen.  (zie noot 74)

Een dergelijke afweging wordt in de toelichting bij het wetsvoorstel niet gemaakt. De onmiddellijke werking van het voorstel kan echter aanzienlijke gevolgen hebben voor individuele aanvragen. De vraag of oud, dan wel nieuw recht van toepassing is, is bij onmiddellijke werking immers niet afhankelijk van het moment waarop de aanvraag is gedaan, maar van het moment waarop de minister die aanvraag behandelt. In de praktijk kan dit tot resultaten leiden die op gespannen voet staan met de beginselen van rechtszekerheid en gelijke behandeling.

Zo kunnen vreemdelingen die een nareisaanvraag hebben ingediend in de wetenschap dat zij daar recht op hadden, als gevolg van het wetsvoorstel met een afwijzing worden geconfronteerd, terwijl andere, gelijktijdig ingediende aanvragen kunnen worden ingewilligd in geval de minister daar vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel op beslist. In dit verband rijst ook de vraag hoe wordt omgegaan met aanvragen om nareis waarin al een primair besluit is genomen, maar nog geen besluit op bezwaar. Strikt genomen krijgt de vreemdeling in zulke gevallen slechts één keer te horen hoe de minister de aanvraag op basis van het aangepaste recht beoordeelt. Dat doet afbreuk aan de gedachte dat een vreemdeling daar nog een keer op moet kunnen reageren, namelijk door middel van het bezwaar. Juist om zulke resultaten te vermijden, worden aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf op dit moment getoetst aan het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen.  (zie noot 75)

De Afdeling constateert in dit verband ook dat het voorstel geen overgangsregeling bevat voor bestaande verblijfsvergunningen asiel. Dat betekent dat in geval van verlenging van zo’n verblijfsvergunning alsnog zal moeten worden gemotiveerd of de vreemdeling recht heeft op de vluchtelingenstatus, dan wel de subsidiaire beschermingsstatus. Nog daargelaten dat zulke beoordelingen extra bewerkelijk zijn wanneer zij enkele jaren na de asielgehoren moeten worden verricht, kan dit leiden tot een achteruitgang in de rechtspositie van de vreemdeling.

De Afdeling adviseert het overgangsrecht in die zin aan te passen dat aanvragen om nareis zullen worden behandeld op basis van het recht dat gold ten tijde van de aanvraag. Voor het overige adviseert zij de keuze voor onmiddellijke werking te heroverwegen in het licht van de hierboven gemaakte opmerkingen.

8. Nareis

a. Inleiding
Het tweestatusstelsel wordt ingevoerd om beperkingen te stellen aan de mogelijkheid om na te reizen. Zoals blijkt uit punt 8 van de considerans van de Gezinsherenigingsrichtlijn, hebben de lidstaten met die richtlijn beoogd voor vluchtelingen gunstiger voorwaarden te scheppen om hun recht op gezinsleven uit te oefenen. Dit betekent dat zij via een eenvoudigere procedure om gezinshereniging kunnen verzoeken dan geldt voor andere vreemdelingen en vooral aannemelijk moeten maken dat de desbetreffende vreemdelingen feitelijk tot het gezin van de gezinshereniger behoren. Het bij andere vormen van gezinshereniging gestelde vereiste dat een vreemdeling over voldoende middelen van bestaan beschikt geldt dan niet.  (zie noot 76)  Ook hoeven de betrokkenen geen leges te betalen. Wordt een dergelijke ‘nareis’-aanvraag ingewilligd, dan krijgen de gezinsleden evenals de vreemdeling een asielstatus.

Bij de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn heeft de Nederlandse regering er vanwege het éénstatusstelsel voor gekozen om hoofdstuk V – de ‘nareisprocedure’ – niet alleen op vluchtelingen toe te passen, maar ook op subsidiair beschermden. Ook heeft Nederland de kring van potentiële gezinsleden in de Vreemdelingenwet 2000  (zie noot 77)  ruimer gemaakt dan waartoe de Gezinsherenigingsrichtlijn (minimaal) verplicht.  (zie noot 78)  Daaronder vallen op dit moment ook vreemdelingen die als ongehuwde partner of meerderjarig kind ‘zodanig afhankelijk’ zijn van de gezinshereniger dat zij ‘om die reden behoren tot diens gezin’.  (zie noot 79)  Met het wetsvoorstel worden beide verruimingen deels teruggedraaid.

b. Beperking van nareis tot het kerngezin
Ten eerste regelt het wetsvoorstel dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de aanvragen van vreemdelingen die gelijktijdig met de gezinshereniger Nederland zijn ingereisd (meereizigers), en aanvragen van vreemdelingen die binnen drie maanden nadat aan de vreemdeling een asielvergunning is verleend zijn nagereisd (nareizigers).  (zie noot 80)  Bij meereizigers blijft de groep gezinsleden die voor gezinshereniging via de nareisprocedure in aanmerking komt onveranderd. Voor nareizigers daarentegen wordt die groep beperkt tot het ‘kerngezin’, waar ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen geen deel van uitmaken. Dit geldt zowel voor vluchtelingen als subsidiair beschermden.

Deze maatregel is in algemene zin juridisch toelaatbaar. Ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen vallen immers niet dwingend onder het begrip ‘gezinslid’ uit de Gezinsherenigingsrichtlijn.  (zie noot 81)  Ook andere internationale of nationale rechtsregels, zoals artikel 8 EVRM, staan hieraan niet in de weg.  (zie noot 82)  Artikel 8 EVRM verplicht namelijk niet tot het afgeven van een bepaalde vergunning of het inrichten van een gunstigere procedure.  (zie noot 83)  Bovendien laat het wetsvoorstel onverlet dat een vreemdeling die niet langer onder de nareisprocedure valt op grond van bijvoorbeeld artikel 8 EVRM alsnog voor gezinshereniging in aanmerking zou kunnen komen.  (zie noot 84)

Hoewel de Gezinsherenigingsrichtlijn dus ruimte biedt voor de voorgenomen beperking van nareis tot het kerngezin, kan de maatregel in de praktijk in sommige gevallen discriminatoir uitpakken. De Rvdr, IND en de NOvA wijzen in dat kader terecht op de situatie van vreemdelingen voor wie het (feitelijk) onmogelijk of zeer gevaarlijk is om in het land van herkomst te huwen. Het gaat dan bijvoorbeeld om landen waarin homoseksuele relaties niet alleen niet erkend worden, maar zelfs strafbaar zijn. Als met dergelijke omstandigheden bij de uitvoering van de maatregel onvoldoende rekening wordt gehouden, zal dit in strijd komen met het verbod op discriminatie, zoals neergelegd in onder andere artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: EU-Handvest) en artikel 14 van het EVRM.  (zie noot 85)  De toelichting gaat daarop niet in, terwijl dat wel noodzakelijk is om te waarborgen dat de maatregel wordt uitgevoerd op een wijze die niet in strijd komt met dat grondrecht.

De Afdeling adviseert daarom de toelichting op dit punt aan te vullen.

c. Aanvullende voorwaarden nareis subsidiair beschermden
Ten tweede introduceert het wetsvoorstel aanvullende voorwaarden voor nareis bij subsidiair beschermden. Gezinsleden van deze vreemdelingen die niet gelijktijdig met de vreemdeling zijn ingereisd hebben voortaan alleen een recht op nareis als:

a. twee jaar zijn verstreken gerekend vanaf de datum waarop de asielaanvraag van de vreemdeling met subsidiaire bescherming is ingewilligd (wachttermijn);

b. de vreemdeling met subsidiaire bescherming zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (inkomensvereiste);

c. de vreemdeling met subsidiaire bescherming beschikt over huisvesting(huisvestingsvereiste).

Een uitzondering wordt gemaakt voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, op wie onderdelen b en c niet van toepassing worden verklaard.

Ook voor deze aanvullende voorwaarden geldt dat daarvoor ruimte bestaat onder de Gezinsherenigingsrichtlijn.  (zie noot 86)  Deze ruimte wordt evenwel begrensd door het EU-Handvest, het EVRM en de algemene beginselen van Unierecht, waaronder in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. Uit deze instrumenten en beginselen blijkt dat het stellen van de genoemde voorwaarden een legitiem doel moet dienen en niet verder mag gaan dan daarvoor nodig is. Bij de uitvoering van de maatregel zal daarom steeds moeten worden beoordeeld of het stellen van de drie voorwaarden ook in het concreet voorliggende geval evenredig is.  (zie noot 87)

In dit verband valt allereerst op dat het wetsvoorstel niet alleen een huisvestings- en inkomensvereiste formuleert, maar ook een wachttermijn. De vraag rijst waar deze wachttermijn toe dient als een vreemdeling aan de overige voorwaarden voldoet. In dat geval doet hij immers geen beroep op de algemene middelen, terwijl hij wel een legitieme aanspraak heeft op gezinshereniging. De regering licht niet toe of zij ook in dat geval een wachttermijn noodzakelijk en proportioneel acht. De Rvdr wijst er in dat kader terecht op dat die termijn bovendien feitelijk (veel) langer kan zijn als de behandeling van de asielaanvraag van de gezinshereniger lang op zich laat wachten. Daarbij komt dat de wachttermijn in het voorstel aanvangt op het moment van verkrijgen van een verblijfsvergunning. Dit rijmt niet met de Gezinsherenigingsrichtlijn, waaruit volgt dat de termijn aanvangt vanaf het verkrijgen van legaal verblijf.  (zie noot 88)

Daarnaast wordt uit de toelichting niet duidelijk waarom voor nareis bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen wel een wachttermijn wordt geïntroduceerd, terwijl zij van het inkomens- en huisvestingsvereiste zijn uitgezonderd. Onduidelijk is hoe de noodzaak en proportionaliteit van deze voorwaarde zijn beoordeeld gelet op de rechten van het kind en de beginselen dat gezinnen moeten worden beschermd en de belangen van kinderen de eerste overweging moeten vormen, zoals deze naar voren komen uit de Gezinsherenigingsrichtlijn en vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en het EHRM. (zie noot 89) Een wachttermijn van twee jaar voor alleenstaande minderjarigen is in het licht van die rechten en beginselen disproportioneel.

De Afdeling adviseert de introductie van een wachttermijn te heroverwegen en daarvan af te zien in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

9. Slotsom

Het doel van het wetsvoorstel is om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers en nareizigers in Nederland te verminderen. In de toelichting bij het wetsvoorstel wordt echter niet aannemelijk gemaakt dat de maatregelen daadwerkelijk de beoogde effecten zullen hebben. Voor zover de maatregelen gericht zijn op het beperken van de instroom, wordt niet verwezen naar inzichten uit de asielpraktijk of de wetenschap waaruit blijkt dat redelijkerwijze te verwachten valt dat de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk tot minder instroom leiden.

Onderzoek laat zien dat het nationale asielbeleid slechts een beperkte rol speelt bij de keuze voor een bestemmingsland. Daarnaast blijven er verschillende alternatieven voor nareizigers bestaan om een verblijfsvergunning in Nederland te verkrijgen. De Afdeling wijst er, met de uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak, op dat de kans daarom groot is dat de voorgestelde maatregelen juist tot een extra belasting van de asielketen leiden. Daarbij zal Nederland vanaf juni 2026 het Europese Asiel- en Migratiepact moeten uitvoeren. Wanneer het wetsvoorstel daarmee niet goed wordt afgestemd, doet dit afbreuk aan de rechtszekerheid en kan dit tot extra problemen leiden in de uitvoering en de rechtspraak.

Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling het wetsvoorstel niet in deze vorm in te dienen bij de Tweede Kamer. In plaats daarvan adviseert zij de maatregelen opnieuw te bezien, voor iedere maatregel dragend te motiveren waarom deze effectief en uitvoerbaar is, en anders van de maatregel af te zien. Ook moet worden bekeken hoe een maatregel zich verhoudt tot het Europese Asiel- en Migratiepact.

De Afdeling adviseert om de maatregelen uit het wetsvoorstel af te stemmen met die uit de uitvoeringswet ten behoeve van het Europese Asiel- en Migratiepact, en daarbij te overwegen om (onderdelen van) de twee wetsvoorstellen samen te voegen. Daarnaast heeft de Afdeling onder punten 7 en 8 verschillende opmerkingen van juridische aard gemaakt, die volgens haar tot aanpassing van het wetsvoorstel en de toelichting moeten leiden. Bij de heroverweging van deze maatregelen is het noodzakelijk dat de uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk op zorgvuldige wijze worden betrokken.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.

De vice-president van de Raad van State.

Voetnoten

(1) Het lid Van Zwol heeft op grond van artikel 27e van de Wet op de Raad van State niet deel genomen aan de voorbereiding van en de beraadslaging en besluitvorming over dit advies.
(2) Memorie van toelichting, Algemeen deel, onder 1. Inleiding en 2. Aanleiding en hoofdlijnen van het voorstel.
(3) Wijziging van de Vreemdelingwet 2000 in verband met de introductie van de volgende maatregelen:
– De geldigheidsduur van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verkort van vijf tot drie jaar.
– Er worden geen nieuwe verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd verleend.
– De mogelijkheden tot ongewenstverklaring van vreemdelingen worden verruimd.
– De voornemenprocedure wordt afgeschaft.
– De nareismogelijkheden voor ongehuwde partners en meerderjarige kinderen worden beperkt.
– De afdoening van asielaanvragen wordt vergemakkelijkt, door 1) nieuwe feiten en omstandigheden strenger te toetsen bij opvolgende aanvragen, 2) een verwijtbaarheidstoets te introduceren bij opvolgende aanvragen en 3) de afwijzingsmogelijkheden te verruimen.
(4) Kamerstukken II 2024/25, 19637, nr. 3304.
(5) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 2. Aanleiding en hoofdlijnen.
(6) Artikelen 28 en 29, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000.
(7) Vreemdelingen die (persoonlijk) gegronde vrees hebben dat zij in hun thuisland zullen worden vervolgd vanwege bijvoorbeeld hun ras, godsdienst of politieke overtuiging.
(8) Vreemdelingen die om een andere reden een reëel risico lopen op ernstige schade als zij terugkeren, bijvoorbeeld vanwege de algemene veiligheidssituatie.
(9) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 2. Aanleiding en hoofdlijnen.
(10) Zie Sociaal-Cultureel Planbureau, Burgerperspectieven 2024, bericht 3, p. 10-16; Adviesraad Migratie, Realisme rond richtgetallen. Kansen en risico’s van streefcijfers en quota’s in het migratiebeleid, december 2022, p. 10.
(11) Zie ABD Topconsult, Bouwstenen voor het asielbeleid en asielstelsel, 8 februari 2024; Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050, Gematigde Groei, 15 januari 2024. Zie ook Adviesraad Migratie, Naar een toekomstgericht migratiebeleid – Notitie voor programma’s Tweede Kamerverkiezingen, 23 augustus 2023.
(12) Staat van Migratie 2024, Kamerstukken II 2023/24, 30573, nr. 214.
(13) IND, Monthly Report on Asylum Application in The Netherlands, December 2024.
(14) IND, Maandcijfers IND december 2024, te raadplegen op www.ind.nl.
(15) Zie ook de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid betreffende het toezicht Inspectie Justitie en Veiligheid Ter Apel, 16 december 2024, bijlage bij Kamerstukken II 2024/25 19627, nr. 3342, de brief van de Kinderombudsman betreffende oproep van de Kinderombudsman t.b.v. debat over de spreidingswet, 12 januari 2024.
(16) Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève 28 juli 1951, Trb. 1951, 131. Protocol betreffende de status van vluchtelingen, New York 31 januari 2967, Trb. 1967, 76.
(17) Zie artikel 18 en 19 van het EU-Handvest, artikelen 2 en 3 van het EVRM en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing, New York, 10 december 1984.
(18) Artikel 78, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de EU.
(19) Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, Pb EU L337/9.
(20) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale Bescherming, PB EU L 180/60.
(21) Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, PB EU L 251/12.
(22) Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, PB EU L16/44.
(23) Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, PB EU L 348/98.
(24) Zie Kamerstukken II 2024/25, 32167, nr. 908.
(25) Zie aanwijzing 9.9 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(26) Het implementatiewetsvoorstel staat op dit moment op internetconsultatie.nl/asielenmigratiepact/b1.
(27) Zie artikel 1 en 10 van de Grondwet, artikel 8 en 14 EVRM en artikel 7 en 21 EU-Handvest.
(28) Zie ten aanzien van de toepassing van artikel 6 EVRM in het vreemdelingenrecht, ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.1. Zie ook artikel 41 EU-Handvest en HvJEU 27 december 2012, H.N. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2014:302, punten 49, 50 en 56.
(29) Zie paragraaf 2.1 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(30) Daarom beoordeelt de Afdeling in het kader van haar beleids- en uitvoeringsanalyse of voldoende inzicht wordt geboden in de vooronderstellingen en aannames die aan het voorstel ten grondslag liggen en of daarmee de effectiviteit en de uitvoerbaarheid van het voorstel op een overtuigende wijze worden onderbouwd in de toelichting. De beleids- en uitvoeringsanalyse maakt onderdeel uit van het beoordelingskader van de Afdeling; zie raadvanstate.nl/overrvs/advisering/beoordelingskader).
(31) Zie bijvoorbeeld de Inleiding, p. 4 en 7, en paragraaf 7.2. van het regeerprogramma, Bijlage bij Kamerstukken II 2023/34, 36471, nr. 96.
(32) Zie ook artikel 3.1. van de Comptabiliteitswet 2016.
(33) Zie paragraaf 7.1. van het regeerprogramma, Bijlage bij Kamerstukken II 2023/34, 36471, nr. 96.
(34) Aanwijzing 2.3 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Met betrekking tot formele consultatie, zie het Draaiboek voor de Regelgeving, nr. 18. Met betrekking tot de internetconsultatie, zie het Draaiboek voor de Regelgeving, nr. 16. Zie ook de brief van de vice-president van de Raad van State aan de minister-president van 19 april 2021 met als onderwerp ‘Aanbevelingen ter bevordering van de wetgevingskwaliteit’.
(35) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 5. Ontvangen adviezen.
(36) Brief van voorzitter van de Rvdr van 2 december 2024 betreffende het verzoek advies uit te brengen t.a.v. het Wetsvoorstel tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet. Op 20 januari 2025 heeft de Rvdr een aanvullende consultatiereactie openbaar gemaakt. De Afdeling heeft hiervan kennis genomen en heeft de consultatiereactie betrokken bij de advisering, hoewel de regering nog niet in de gelegenheid is geweest om hierop te reageren. Gelet op het feit dat de minister van Asiel en Migratie de Afdeling heeft gevraagd met spoed te adviseren, heeft Afdeling besloten om deze reactie niet af te wachten.
(37) Brief van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 2 december aan het ministerie van Asiel en Migratie met een reactie op het consultatieverzoek over het Wetsvoorstel tweestatusstelsel en wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet.
(38) Consultatiereactie van de NOvA van 2 december 2024 betreffende Advies Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis.
(39) Consultatiereactie van de IND betreffende de Asielnoodmaatregelenwet en Tweestatusstelsel, 29 november 2024.
(40) Zie artikel 2 van de Vreemdelingenwet 2000 en de Kaderwet adviescolleges. Zie verder advies van de Afdeling advisering van 20 december 2023 over de Wijziging van het Besluit inburgering 2021, het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 en het Vreemdelingenbesluit 2000, W16.23.00311/II, Stc. 2024, nr. 11957.
(41) Zie brief van het College van de Rechten van de Mens aan de minister van Asiel en Migratie, 17 december 2024.
(42) Zie brief van de Commissie Meijers aan de minister van Asiel en Migratie van 17 december 2024 over de gebrekkige betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het wetgevingsproces.
(43) Memorie van toelichting, Artikelsgewijze toelichting bij Artikel III (inwerkingtreding).
(44) Indertijd bestond er niet alleen een a- en b-status, maar ook een c-status.
(45) Zie Kamerstukken II 1998/99, 26732, nr. 3, p. 3-6; Kamerstukken II 1999/00, 26732, nr. 7, p. 36-44; M.J. Cohen, ‘De geboorte van de Vreemdelingenwet 2000’, in: M.M. Bosma & O. van Loon (red.), 20 jaar Vreemdelingenwet 2000, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 34, 38-39.
(46) ABRvS 28 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1168. Wanneer een vreemdeling verzoekt om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, dan wel wanneer zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ingetrokken, kan de vreemdeling alsnog over de verleningsgrond procederen; zie ABRvS 18 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1924, onder 3.2.
(47) Kamerstukken II 1998/99, 26732, nr. 3, p. 3-6; Kamerstukken II 1999/00, 26732, nr. 7, p. 36-37.
(48) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 5. Ontvangen adviezen.
(49) Zie bijvoorbeeld IND, Literatuurstudie pullfactoren, september 2024; M. Kahmann, A. Hamdi & M. Verstappen, Invloed asielbeleid op migratie naar Nederland, Verwey Jonker Instituut/WODC 2023.
(50) Zie hierover, met verwijzing naar jurisprudentie, het advies van de Afdeling advisering van 8 februari 2023, (W16.22.00182/II), Kamerstukken II 2022/23, 36349, nr. 4, punt 3.
(51) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 4. Financiële- en uitvoeringsgevolgen.
(52) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 4.2. Aangescherpte nareisvereisten.
(53) Regeerprogramma, Bijlage bij Kamerstukken II 2023/34, 36471, nr. 96, p. 83, 88.
(54) Deze zijn te raadplegen op www.staatvandeuitvoering.nl.
(55) Aanvullende consultatiereactie van de Rvdr, 20 januari 2025, p. 6.
(56) Kamerstukken II 2024/25, 36600 XX, nr. 2.
(57) ABD Topconsult, Bouwstenen voor het asielbeleid en asielstelsel, 8 februari 2024. Algemene Rekenkamer, rapport Focus op opvangcapaciteit voor asielzoekers, januari 2023. Zie ook Brief van de Algemene Rekenkamer over de ontwerpbegroting van het Ministerie van Asiel en Migratie voor het jaar 2025, Kamerstukken II 2024/25, 36600 XX, nr. 4, en de Staat van de Uitvoering van het COA en de IND, te raadplegen op www.staatvandeuitvoering.nl
(58) Zie het advies van de Afdeling advisering van 8 februari 2023 over de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met verlenging van de beslistermijnen in asiel- en nareiszaken, (W16.22.00182/II), Kamerstukken II 2022/23, 36349, nr. 4, onder punt 3.
(59) Regeerprogramma, Bijlage bij Kamerstukken II 2023/34, 36471, nr. 96, p. 20.
(60) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 5, onder ‘Tweestatusstelsel’.
(61) De consultatieversie van de uitvoeringswet is te vinden op internetconsultatie.nl/asielenmigratiepact/b1.
(62) Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad (Kwalificatieverordening).
(63) Artikel 23 van de Kwalificatieverordening.
(64) Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU.
(65) Zie de voorgestelde artikelen 29 en 29a Vreemdelingenwet 2000, en artikel I, onderdeel N t/m R, van het voorstel in consultatie, te vinden op internetconsultatie.nl/asielenmigratiepact/b1.
(66) Aanvullende consultatiereactie van de Rvdr van 20 januari 2025, p. 4-5 en 7; advies IND van 29 november 2024, p. 3.
(67) Brief van de minister van Asiel en Migratie aan de Eurocommissaris voor Binnenlandse Zaken van 18 september 2024, bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 19637, nr. 3273.
(68) Nationaal Implementatieplan Asiel- en Migratiepact, bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 32317, nr. 908, p. 6.
(69) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 5, onder ‘Beperken nareis tot kerngezin’.
(70) Artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
(71) Aanwijzing 5.61 Aanwijzingen voor de regelgeving.
(72) Vergelijk de voorlichting van de Afdeling advisering van 3 juli 2012, (W12.12.0147/III), Kamerstukken II 2012/13, 33400-XV, nr. 7, punt 3.3.
(73) Aanwijzing 5.64 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(74) Toelichting bij aanwijzing 5.64 Aanwijzingen voor de regelgeving.
(75) Artikel 1.27 Vreemdelingenbesluit 2000. Zie ook Stb. 2012, 308, artikelsgewijze toelichting.
(76) Artikel 12, eerste lid, jo. artikel 7, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Die eis wordt bij ‘normale’ gezinshereniging wel gesteld ingevolge artikel 3.13, eerste lid, en 3.22, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000.
(77) Artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
(78) Artikel 4, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Het tweede en derde lid van datzelfde artikel bieden de ruimte om de kring van gezinsleden uit te breiden op de wijze waarop Nederland dit tot op heden heeft gedaan.
(79) Artikel 29, tweede lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Zie verder paragraaf C2/4.1.2 en C2/4.1.2.1 van de Vc 2000. Zie ook Werkinstructie 2024/4, p. 15-17.
(80) Of binnen de termijn van drie maanden een machtiging tot voorlopig verblijf hebben aangevraagd (de driemaandentermijn hebben veiliggesteld). Die driemaandentermijn geldt niet voor vreemdelingen die minderjarig zijn op het moment waarop zij de aanvraag indienen ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 2024, CR, GF en TY tegen Landeshauptmann von Wien, ECLI:EU:C:2024:96.
(81) Artikel 10, eerste lid, jo. artikel 4, eerste lid Gri. De openstelling van de nareisprocedure voor meerderjarige kinderen valt wel binnen de werkingssfeer van de lidstaatoptie in artikel 10, tweede lid, Gri. Zie ABRvS 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2146, onder 5.1 en 6.1.
(82) Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn of artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.
(83) Zie ABRvS 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2146, onder 5, over nareis met meerderjarige kinderen.
(84) Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 10 december 2024, Martinez Alvarado t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021.
(85) Vergelijk het arrest van het EHRM van 23 februari 2016, Pajić t. Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2016:0223JUD006845313, punten 84 en 85.
(86) Artikelen 7 en 12, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
(87) Vergelijk de arresten van het EHRM van 18 januari 2024, Dabo t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:2024:0118JUD001251018 en 25 juli 2024, D.H. e.a. t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:2024:0725JUD003421019.
(88) Artikel 8, eerste alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De afgeleide verblijfsvergunning asiel werkt ingevolge artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 terug tot het moment van de aanvraag.
(89) Onder meer de artikelen 3 en 10 van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind, punt 2 van de considerans bij de Gezinsherenigingsrichtlijn en het arrest van het EHRM van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, onder 109.

Reacties uitgeschakeld voor NOOT 52B/WEES PARAAT!

Opgeslagen onder Divers

NOOT 52A/WEES PARAAT!

[52A]

RAAD VAN STATE

ASIELNOOODMAATREGELENWET

https://www.raadvanstate.nl/adviezen/@147826/w03-24-00364-ii/Kenmerk W03.24.00364/IIDatum aanhangig 20 december 2024Datum vastgesteld 5 februari 2025Datum advies 5 februari 2025Datum publicatie 10 februari 2025Vindplaats Website Raad van State

  • Asiel en Migratie
  • Wet

Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 20 december 2024, no.2024002937, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Asiel en Migratie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet(opent in nieuw venster) (verwijst naar een andere website)), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel is gelijktijdig met het voorstel Wet invoering tweestatusstelsel voorgelegd, met het verzoek om over beide voorstellen zo spoedig mogelijk te adviseren. Gelet op dit verzoek en de inhoud van de wetsvoorstellen heeft de Afdeling advisering van de Raad van State deze twee voorstellen in samenhang beoordeeld. (zie noot 1)

De Afdeling adviseert de minister van Asiel en Migratie het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet in de huidige vorm niet in te dienen bij de Tweede Kamer.

Het doel van de voorstellen Asielnoodmaatregelenwet en Wet invoering tweestatusstelsel is om de asielketen per direct en duurzaam te ontlasten en de instroom van asielzoekers in Nederland te verminderen. In de toelichting bij de wetsvoorstellen wordt echter niet aannemelijk gemaakt dat de maatregelen daadwerkelijk zullen bijdragen aan het beperken van de instroom of een efficiëntere asielprocedure. De kans is groot dat de maatregelen juist tot een extra belasting leiden voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de rechtspraak. Daarbij komt dat Nederland in 2026 het Europese Asiel- en Migratiepact zal moeten uitvoeren. Wanneer de wetsvoorstellen daarop niet goed worden afgestemd, doet dit afbreuk aan de rechtszekerheid en kan dit tot extra problemen leiden in de uitvoering en de rechtspraak.

Asiel en migratie in Nederland

Het maatschappelijk debat over asiel en migratie wordt in Nederland en daarbuiten volop gevoerd. Veel mensen vinden dat mensen die vluchten voor oorlog of vervolging een veilig heenkomen moet worden geboden. Tegelijkertijd zijn veel mensen bezorgd of de Nederlandse samenleving de komst van grote groepen migranten wel kan dragen. Deze zorgen gaan over de sociale samenhang in ons land, maar ook over de toegang tot voorzieningen zoals huisvesting, zorg en onderwijs. Daarbij moet bedacht worden dat niet alleen asielzoekers naar Nederland komen, maar ook arbeidsmigranten, studenten en migranten in het kader van gezinshereniging.

Voor asielmigratie geldt dat de IND en de rechtspraak grote achterstanden rapporteren, waardoor asielzoekers lang moeten wachten op een uitkomst in hun procedures. Tijdens deze procedures verblijven mensen in opvanglocaties die soms overvol zijn.

Onzorgvuldige voorbereiding

De regering heeft besloten om de wetgevingsprocedure versneld te doorlopen vanwege de urgentie van de asielproblematiek. Een beperkt aantal instanties, waaronder de IND en de rechtspraak, heeft slechts één week de tijd gehad om een zienswijze op de wetsvoorstellen te geven. De Afdeling wijst erop dat de inbreng van burgers, uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk in een vroeg stadium van groot belang is om tot goede wetgeving te komen. Hier is in het regeerprogramma ook op gewezen. Dat er een politieke wens is om met spoed stappen te zetten tot aanscherping van het nationale asielbeleid, is onvoldoende grond om stappen in de voorbereiding van wetgeving over te slaan of hiervoor te weinig tijd te nemen. De voorbereiding van deze wetsvoorstellen is dan ook onzorgvuldig geweest.

Effectiviteit en uitvoering

In de toelichting bij de wetsvoorstellen wordt niet verwezen naar inzichten uit de asielpraktijk of wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat de voorgestelde maatregelen zullen bijdragen aan het beperken van de instroom of een efficiëntere asielprocedure. Er zijn daarentegen wel duidelijke aanwijzingen dat bepaalde maatregelen juist zullen leiden tot een verhoging van de belasting van de asielketen. Verschillende maatregelen zullen ertoe leiden dat de IND meer en ook bewerkelijkere beslissingen moet nemen. Over deze beslissingen zal ook meer geprocedeerd worden, wat de druk op de rechtspraak verhoogt. Wanneer procedures langer duren, verblijven mensen bovendien langer in de asielopvang.

Het Europese Asiel- en Migratiepact

In juni 2026 worden de maatregelen uit het Europese Asiel- en Migratiepact van toepassing met als doel de Europese buitengrenzen te versterken. Dit betekent dat de Nederlandse asielwetgeving vóór dat moment ingrijpend moet worden gewijzigd. Uit de toelichting blijkt niet hoe de huidige wetsvoorstellen van de minister zich verhouden tot de maatregelen die nodig zijn om het Asiel- en Migratiepact uit te voeren. Zo’n toelichting is wel nodig, omdat de nu voorgestelde maatregelen al heel snel opnieuw moeten worden aangepast of geschrapt.

Daarbij komt dat de maatregelen uit het Europese pact grote gevolgen hebben voor onder andere de IND en de rechtspraak. Wanneer daarnaast ook de voorliggende wetsvoorstellen in de huidige vorm worden ingevoerd raakt de ontlasting van de asielketen verder uit beeld, terwijl die ontlasting juist een van de hoofddoelen van de wetsvoorstellen is. Een goede afstemming van de wetsvoorstellen met de uitvoering van het Europese pact is daarom noodzakelijk en moet met prioriteit worden opgepakt. In het verlengde hiervan verdient het nadere toelichting waarom (onderdelen van) de wetsvoorstellen niet zijn samengevoegd met het wetsvoorstel ter uitvoering van het Asiel- en Migratiepact.

Grondrechten

De Afdeling maakt verschillende opmerkingen over de juridische houdbaarheid van de wetsvoorstellen. Daarnaast adviseert zij om, ook waar de voorgestelde maatregelen op zichzelf beschouwd juridisch mogelijk zijn, toe te lichten hoe deze zullen worden toegepast in de praktijk. Gebeurt dat niet, dan is het risico dat procedures onzorgvuldig verlopen en grondrechten in de uitvoering worden geschonden omdat hiermee bij de vormgeving van het uitvoeringsbeleid onvoldoende rekening is gehouden. Bijvoorbeeld als blijkt dat de IND en de rechtspraak niet binnen een redelijke termijn kunnen beslissen over de verblijfsrechten van asielzoekers en nareizigers. Dan komt hun recht op een eerlijk proces in het geding.

Juridisch problematisch is dat aan de maatregelen zogeheten onmiddellijke werking wordt verleend. Dat betekent dat het nieuwe recht direct na inwerkingtreding zal worden toegepast, ook in lopende procedures. Dit heeft als gevolg dat verschillende groepen vreemdelingen met verschillende besluiten kunnen worden geconfronteerd, zonder dat daarvoor een goede reden bestaat. Dit leidt tot ongelijke behandeling en strijd met het beginsel van rechtszekerheid.

Over dit advies

Omdat de Afdeling de wetsvoorstellen in samenhang heeft beoordeeld, bevatten de adviezen een gelijkluidende algemene beschouwing over de kaders waarbinnen deze wetsvoorstellen moeten worden vormgegeven. Vervolgens worden deze kaders toegepast op het wetsvoorstel waarop het advies betrekking heeft. In dit advies is dat de Asielnoodmaatregelenwet.

1. Inleiding

De Asielnoodmaatregelenwet bevat maatregelen om de asielketen per direct en duurzaam te ontlasten en de instroom van asielzoekers in Nederland te verminderen.  (zie noot 2)  Het wetsvoorstel bevat de volgende maatregelen:

–     De geldigheidsduur van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verkort van vijf tot drie jaar.

–     Er worden geen nieuwe verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd verleend.

–     De mogelijkheden tot ongewenstverklaring van vreemdelingen worden verruimd.

–     De voornemenprocedure wordt afgeschaft.

–     De nareismogelijkheden voor ongehuwde partners en meerderjarige kinderen worden beperkt.

–     De afdoening van asielaanvragen wordt vergemakkelijkt, door 1) nieuwe feiten en omstandigheden strenger te toetsen bij opvolgende aanvragen, 2) een verwijtbaarheidstoets te introduceren bij opvolgende aanvragen en 3) de afwijzingsmogelijkheden te verruimen.

De Asielnoodmaatregelenwet is gelijktijdig met de Wet invoering tweestatusstelsel  (zie noot 3)  ter advisering aan de Afdeling voorgelegd. Met deze voorstellen wordt uitvoering gegeven aan de afspraken in het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma, en de nadere afspraken waarover de Tweede Kamer bij brief van 25 oktober 2024 is geïnformeerd.  (zie noot 4)  De minister van Asiel en Migratie heeft de Afdeling verzocht om zo spoedig mogelijk te adviseren.

Gelet op dit verzoek en de inhoud van de wetsvoorstellen heeft de Afdeling deze twee voorstellen gelijktijdig en in samenhang beoordeeld. Beide adviezen beginnen met een beschrijving van het doel en de inhoud van het wetsvoorstel (punt 2). Dan volgt een (voor beide adviezen gelijkluidende) algemene beschouwing over de kaders waarbinnen deze wetsvoorstellen moeten worden vormgegeven (punt 3). Vervolgens worden deze kaders toegepast op het wetsvoorstel waarop het advies betrekking heeft, in dit geval de Asielnoodmaatregelenwet. Dit leidt in dit advies tot een opmerking over de gebrekkige voorbereiding van het wetsvoorstel (punt 4), de beoordeling van effectiviteit en uitvoerbaarheid (punt 5) en de samenloop met het Europese Asiel- en Migratiepact (punt 6). Daarna volgen een opmerking over het belang van rechtszekerheid en gelijke behandeling bij de vormgeving van het overgangsrecht (punt 7) en enkele opmerkingen over specifieke onderdelen van het wetsvoorstel (punt 8). Tot slot geeft de Afdeling haar oordeel over het wetsvoorstel (punt 9).

2. Het doel en de inhoud van het voorstel

a. Het doel van het voorstel
In het wetsvoorstel worden twee doelstellingen benoemd, namelijk 1) het per direct en duurzaam ontlasten van de asielketen en 2) het beperken van de instroom van asielzoekers in Nederland.  (zie noot 5)

In de toelichting wordt beschreven dat de druk op de asielketen groot is. Ten eerste wordt gewezen op de druk op de asielopvang, waar de uitvoering ligt bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). In 2024 is de bezetting opgelopen van 64.300 naar 72.500 mensen. Daarmee is de bezetting al geruime tijd hoger dan de reguliere opvangcapaciteit van het COA. De hoge bezetting bij het COA hangt samen met de achterblijvende uitstroom van asielzoekers die een positieve beslissing van de IND hebben ontvangen en in Nederland mogen blijven. De suboptimale omstandigheden in noodopvanglocaties hebben gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van asielzoekers en medewerkers van het COA. Op verschillende plaatsen in de toelichting worden daarnaast opmerkingen gemaakt over de sterke stijging van de kosten die verband houden met de opvang van asielzoekers.

Ten tweede wordt in de toelichting gewezen op de druk op de IND en de rechtspraak. De wachttijd voor de behandeling van een asielaanvraag door de IND zou zijn opgelopen tot ruim een jaar. Daarnaast kampt de rechtspraak met ‘immense’ achterstanden, aldus de toelichting. Asielprocedures kennen daardoor een onwenselijk lange doorlooptijd. Dat bemoeilijkt, zo vermeldt de toelichting, zowel het deelnemen en bijdragen aan de maatschappij als de terugkeer naar het land van herkomst.

Ten derde wordt in de toelichting melding gemaakt van de druk op de woningmarkt, de zorg en het onderwijs. Er is in gemeenten onvoldoende huisvesting voor statushouders beschikbaar, waardoor deze groep langer in de asielopvang moet verblijven. Met de toename van het aantal asielzoekers stijgen ook de kosten voor de zorg. Het aantal nieuwkomers in het primair en voortgezet onderwijs is de afgelopen jaren toegenomen; volgens de toelichting komt dit met name door de komst van Oekraïense leerlingen. De Afdeling merkt volledigheidshalve op dat de Asielnoodmaatregelenwet niet van toepassing is op de Oekraïense ontheemden.

b. De voorgestelde maatregelen
De Asielnoodmaatregelenwet omvat acht maatregelen, die zien op verschillende aspecten van de asielprocedure. Deze maatregelen kunnen volgens de toelichting op verschillende manieren bijdragen aan het ontlasten van de asielketen en het verminderen van de instroom.

Het wetsvoorstel beoogt met een aantal maatregelen specifiek de instroom te beperken. Door de beperking van de instroom neemt volgens de toelichting de druk op de asielketen, huisvesting, zorg en onderwijs af. Ten eerste wordt de geldigheidsduur voor de verblijfsvergunning asiel verkort van vijf naar drie jaar. Daarnaast wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgeschaft. Deze maatregelen benadrukken volgens de toelichting het tijdelijke karakter van asielbescherming. Ook brengen zij het Nederlandse asielbeleid meer in lijn met andere Europese lidstaten, waardoor Nederland niet aantrekkelijker is als bestemming dan andere landen. Dit kan volgens de toelichting instroombeperkend werken.

Ook de beperking van de nareismogelijkheden is erop gericht om de instroom te verminderen. Het wetsvoorstel beoogt de nareis te beperken tot het kerngezin met kinderen tot 18 jaar. Ongehuwde partners en meerderjarige kinderen kunnen geen afgeleide verblijfsvergunning asiel meer krijgen. Volgens de toelichting zal dit er naar verwachting toe leiden dat minder mensen naar Nederland mogen komen op grond van nareis. Ook wordt Nederland minder aantrekkelijk als bestemmingsland.

Andere maatregelen zijn specifiek gericht op een efficiënter verloop van de asielprocedure. Allereerst schaft het wetsvoorstel de voornemenprocedure af, zodat de minister voortaan direct mag beslissen op een asielaanvraag nadat hij de vreemdeling heeft gehoord. De vreemdeling hoeft niet eerst in de gelegenheid te worden gesteld om op een voorgenomen afwijzing te reageren. Ook introduceert het wetsvoorstel een strengere ontvankelijkheidsdrempel voor opvolgende asielaanvragen. Vreemdelingen moeten daaraan voortaan elementen en bevindingen ten grondslag leggen die niet hadden kunnen worden aangevoerd in een eerdere asielprocedure en die de kans ‘aanzienlijk groter’ maken dat de vreemdeling recht heeft op internationale bescherming. Doen zij dat niet, dan verklaart de minister de aanvraag niet-ontvankelijk en hoeft hij niet te beoordelen of de vreemdeling recht heeft op internationale bescherming.

Verder maakt het wetsvoorstel het mogelijk om een asielaanvraag af te wijzen als een vreemdeling zonder goede reden niet verschijnt op een asielgehoor, dan wel als hij met onbekende bestemming is vertrokken of heeft nagelaten om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag.  (zie noot 6)  In zo’n geval kan de minister op dit moment alleen besluiten tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag. Dat heeft tot gevolg dat een eventuele nieuwe asielaanvraag als eerste aanvraag moet worden behandeld. De met het wetsvoorstel geïntroduceerde mogelijkheid om een aanvraag in dit geval af te wijzen zorgt ervoor dat een eventuele nieuwe aanvraag van dezelfde vreemdeling wordt aangemerkt als ‘opvolgende aanvraag’. Een dergelijke aanvraag moet voldoen aan de hierboven genoemde strenge vereisten voor ontvankelijkheid en kan sneller worden afgehandeld.

Het doel van de verruiming van de mogelijkheid tot ongewenstverklaring is volgens de toelichting meerledig. Het wetsvoorstel beoogt het mogelijk te maken om een ongewenstverklaring op te leggen in gevallen waarin geen inreisverbod kan worden uitgevaardigd, terwijl zo’n verbod volgens de regering wel wenselijk zou zijn. Hiermee wordt beoogd om de overlast van onrechtmatig verblijvende vreemdelingen effectiever tegen te gaan, hen te stimuleren om Nederland te verlaten door hun verblijf in of terugkeer naar Nederland strafbaar te stellen en het maatschappelijk draagvlak te behouden jegens vreemdelingen die zich wel aan de wet houden.

3. Algemene beschouwing

a. Asiel en migratie in Nederland
Het maatschappelijk debat over asiel en migratie wordt in Nederland en daarbuiten volop gevoerd. Veel mensen vinden dat mensen die vluchten voor oorlog of vervolging een veilig heenkomen moet worden geboden. Tegelijkertijd zijn veel mensen bezorgd of de Nederlandse samenleving de komst van grote groepen migranten wel kan dragen. Deze zorgen gaan over de sociale samenhang in ons land, maar ook over de toegang tot voorzieningen zoals huisvesting, zorg en onderwijs.  (zie noot 7)  Daarbij moet bedacht worden dat niet alleen asielzoekers naar Nederland komen, maar ook arbeidsmigranten, studenten en migranten in het kader van gezinshereniging. Van verschillende kanten is de regering aangespoord om tot een integrale visie op asiel en migratie te komen en om van daaruit keuzes te maken over hoeveel asiel-, arbeids-, studie- en gezinsmigratie wordt toegelaten en onder welke voorwaarden.  (zie noot 8)

Uit de Staat van de Migratie 2024 blijkt dat in 2022 en 2023 circa 50.000 asielaanvragen zijn gedaan, waarvan in 2023 38.000 eerste aanvragen en 10.000 aanvragen van nareizigers. In totaal zijn in 2023 ongeveer 27.000 asielvergunningen verleend.  (zie noot 9)  De maandelijkse rapportages over de instroom van de IND laten in 2024 geen grote wijzigingen ten opzichte van voorgaande jaren zien.  (zie noot 10)  De IND en de rechtspraak rapporteren substantiële achterstanden,  (zie noot 11)  waardoor asielzoekers en nareizigers lang moeten wachten op een uitkomst in hun procedures. Gedurende deze procedures verblijven vreemdelingen soms langdurig in opvanglocaties met slechts basale voorzieningen.  (zie noot 12)

b. De constitutionele en juridische context
Bij de vormgeving van het asiel- en migratiebeleid moet de constitutionele en juridische context in ogenschouw worden genomen. In het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties uit 1951 en het Protocol van 1967 zijn de rechten van vluchtelingen vastgelegd.  (zie noot 13)  Het kernprincipe van dit verdrag is het beginsel van ‘non-refoulement’, wat inhoudt dat een vluchteling niet mag worden teruggestuurd naar een land waar zijn of haar leven ernstig wordt bedreigd. Dit principe is ook vastgelegd in andere internationale verdragen waaraan Nederland gebonden is, zoals het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: EU-Handvest), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en het VN-Verdrag tegen Foltering.  (zie noot 14)

Met het Vluchtelingenverdrag moet binnen de Europese Unie (EU) rekening worden gehouden bij de ontwikkeling van een gemeenschappelijk asielbeleid.  (zie noot 15)  Het gemeenschappelijk asielbeleid van de EU omvat verschillende richtlijnen, waarvan er enkele voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel van bijzonder belang zijn. In de Kwalificatierichtlijn zijn criteria vastgelegd op basis waarvan de vluchtelingenstatus of een subsidiaire beschermingsstatus wordt verleend.  (zie noot 16)  In de Procedurerichtlijn zijn minimumnormen opgenomen waaraan de asielprocedure moet voldoen.  (zie noot 17)  Verder worden in de Gezinsherenigingsrichtlijn diverse aspecten op het terrein van gezinshereniging geregeld,  (zie noot 18)  regelt de Langdurig Ingezetenenrichtlijn het verblijfsrecht van langdurig in de EU verblijvende vreemdelingen,  (zie noot 19)  en geeft de Terugkeerrichtlijn regels voor de terugkeer van vreemdelingen zonder verblijfsrecht naar hun land van herkomst.  (zie noot 20)  Deze richtlijnen zijn binnen de Nederlandse rechtsorde geïmplementeerd in de Vreemdelingenwet 2000. Daarbij heeft Nederland enige speelruimte, maar die is binnen de internationale en Europese kaders wel beperkt.

Noemenswaardig in dit verband is dat het Europese asielbeleid aan de vooravond staat van een grote hervorming.  (zie noot 21)  Vanaf 12 juni 2026 gaat de regelgeving gelden die onderdeel vormt van het Europese Asiel- en Migratiepact. De hierboven genoemde richtlijnen worden grotendeels vervangen door verordeningen. Dit heeft als gevolg dat de Vreemdelingenwet 2000 op korte termijn ingrijpend gewijzigd moet worden en onderdelen daarvan moeten worden geschrapt.  (zie noot 22)  Ook de Nederlandse uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk zullen zich moeten voorbereiden op de nieuwe Europese en nationale wet- en regelgeving. Het wetsvoorstel ter uitvoering van het pact is op dit moment in internetconsultatie en bevat verschillende onderdelen die overlappen met het voorliggende wetsvoorstel.  (zie noot 23)

Tot slot is van belang dat bij de vormgeving en de uitvoering van asiel- en migratiebeleid de grondrechten in acht worden genomen zoals deze zijn vervat in onder meer de Grondwet, het EVRM en het EU-Handvest. In het bijzonder relevant zijn hierbij het verbod op discriminatie, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op familie- en gezinsleven.  (zie noot 24)  Wanneer migranten willen procederen over het krijgen of behouden van verblijfsrechten van henzelf of hun naasten in het kader van gezinshereniging, hebben zij bovendien recht op een eerlijk proces.  (zie noot 25)  Dat betekent onder meer dat een migrant in de gelegenheid moet worden gesteld om standpunten kenbaar te maken en dat besluitvorming binnen een redelijke termijn moet plaatsvinden.

c. Kwaliteit van wet- en regelgeving
Bij de totstandkoming van nieuwe regels op het terrein van asiel en migratie moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen die voor alle wet- en regelgeving gelden.  (zie noot 26)  Zo is van belang dat duidelijk is waarom nieuwe regelgeving wordt ingevoerd. Dat betekent dat moet worden gedefinieerd wat het doel van de regelgeving is en dat moet worden uitgelegd waarom het nodig is om de nieuwe regels in te voeren met het oog op het realiseren van dit doel. Dit vraagt om een zorgvuldige analyse van het maatschappelijk probleem dat de wetgever beoogt aan te pakken. Bij de keuze van een oplossing voor dat probleem moet worden beoordeeld of deze oplossing effectief is, of niet met een lichter middel kan worden volstaan en of de kosten en lasten van een oplossing in verhouding staan tot het doel.

Daarnaast is relevant of uitvoeringsorganisaties en de (rechts)praktijk met een bepaalde oplossing uit de voeten kunnen, dus of een regeling uitvoerbaar is.  (zie noot 27)  De regering wijst terecht zelf al op het belang van uitvoerbaarheid, net als op de gevolgen die het voor burgers, en hun vertrouwen in de overheid, kan hebben als hieraan onvoldoende aandacht wordt besteed.  (zie noot 28)

Bij de inschatting van de effectiviteit en uitvoerbaarheid van wetgeving dient waar mogelijk gebruik te worden gemaakt van ervaringsgegevens en wetenschappelijke inzichten ten aanzien van de verwachte doeltreffendheid en doelmatigheid van het wetsvoorstel (‘evidence-based’ wetgeving). In de memorie van toelichting moet worden ingegaan op deze aspecten.  (zie noot 29)  Dit is niet alleen belangrijk voor de parlementaire behandeling en het maatschappelijk draagvlak, maar ook voor het geval dat in de praktijk vragen rijzen over de wijze waarop regels moeten worden uitgelegd of uitgevoerd.

Om tot goede wet- en regelgeving te komen is ook de inbreng van burgers, uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk in een vroeg stadium van groot belang.  (zie noot 30)  Hun inbreng geeft inzicht in de aard en omvang van het maatschappelijk probleem en de functionaliteit van bepaalde maatregelen, wat de kans vergroot dat de gekozen oplossing het beoogde doel zal bereiken. Daarnaast kunnen deze actoren vanuit hun praktijkervaring ideeën aanreiken over alternatieve mogelijkheden om problemen aan te pakken en inzicht geven in eventuele ongewenste bijeffecten van een maatregel. Ook kunnen uitvoeringsorganisaties inschatten wat nieuwe wet- of regelgeving betekent voor de organisatie en de personeelsinzet en welke kosten daarbij horen. De consultatie van uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk en de internetconsultatie zijn daarom belangrijke onderdelen van de wetgevingsprocedure, waarvan alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken.  (zie noot 31)

4. Voorbereiding en consultatie

Uit de toelichting blijkt dat de regering het gelet op de urgentie van het wetsvoorstel noodzakelijk heeft geacht om het wetgevingsproces versneld te doorlopen.  (zie noot 32)  Het wetsvoorstel is gedurende één week in consultatie gegeven aan de IND,  (zie noot 33)  de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV),  (zie noot 34)  de Raad voor de rechtspraak (Rvdr),  (zie noot 35)  de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS),  (zie noot 36)  het Openbaar Ministerie  (zie noot 37)  en de politie.  (zie noot 38)  De Adviesraad Migratie is niet geraadpleegd, terwijl deze raad een wettelijke taak heeft om over aanpassingen van het vreemdelingenrecht te adviseren.  (zie noot 39)  Ook andere relevante instanties zoals het COA, de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA)  (zie noot 40)  en het College voor de Rechten van de Mens  (zie noot 41)  is niet om advies gevraagd. Verder is geen gebruik gemaakt van internetconsultatie, zonder dat wordt toegelicht waarom daarvan is afgezien. Hierdoor zijn burgers en maatschappelijke organisaties niet in de gelegenheid geweest om uit eigen beweging formeel op het wetsvoorstel te reageren.  (zie noot 42)

De instanties die wel geconsulteerd zijn, spreken hun zorgen uit over de snelheid waarmee het wetsvoorstel is voorbereid en de korte tijd die voor de consultatie is gegeven. De genoemde instanties stellen dat zij in één week (nog) niet in staat zijn geweest om de gevolgen van het wetsvoorstel goed in kaart te brengen. Geen van de instanties heeft een impactanalyse of uitvoeringstoets kunnen afronden, waardoor er geen volledig zicht is op de benodigde capaciteit en de bijbehorende kosten op de korte en de lange termijn.

In de toelichting wordt vermeld dat de inwerkingtreding van het voorstel waar nodig pas aan de orde is als de IND en andere relevante organisaties in staat zijn om uitvoering te geven aan de desbetreffende maatregelen.  (zie noot 43)  De Afdeling acht het echter ontoereikend dat pas bij een latere beslissing over het moment van inwerkingtreding rekening wordt gehouden met de (on)mogelijkheden van organisaties om uitvoering aan een nieuw wetsvoorstel te geven. Het tijdig hebben van inzicht in de uitvoeringslasten en de uitvoerbaarheid van regelgeving is van belang bij de beoordeling van het wetsvoorstel zélf, inclusief de beantwoording van de vraag of alternatieve, minder belastende maatregelen kunnen worden getroffen. Ook voor de parlementaire behandeling zijn zulke inzichten van groot belang.

De Afdeling merkt daarnaast op dat, anders dan de citeertitel doet vermoeden, het in dit voorstel niet gaat om de toepassing van noodrecht en evenmin om door acute omstandigheden afgedwongen maatregelen met een tijdelijk karakter. Het betreft hier uiteenlopende, structurele maatregelen die beogen uitdrukking te geven aan de politieke wens om met spoed stappen te zetten tot aanscherping van het nationale asielbeleid. Dit is echter onvoldoende grond om stappen in de voorbereiding van wetgeving over te slaan of hiervoor te weinig tijd te nemen. De druk op de asielketen is al langere tijd groot en is niet in recente maanden sterk toegenomen. Verschillende maatregelen waren bovendien al in mei 2024 aangekondigd in het Hoofdlijnenakkoord, maar hebben kennelijk pas in december 2024 geleid tot het voorliggende wetsvoorstel. Dit wijst niet op het bestaan van bijzondere omstandigheden die afwijkingen van de normale wetgevingsprocedure rechtvaardigen.

Door het aantal consultaties te beperken en geconsulteerde partijen onvoldoende tijd te geven voor het geven van een reactie en het uitvoeren van een uitvoeringstoets, is de voorbereiding van het wetsvoorstel onzorgvuldig geweest. Dit is niet alleen problematisch vanuit het perspectief van wetgevingskwaliteit en het belang van een ordentelijk wetgevingsproces. Dit maakt het ook moeilijk om de effectiviteit en uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel goed in te schatten.

5. Effectiviteit en uitvoerbaarheid

a. Inleiding
In de hierop volgende paragrafen worden de effectiviteit en uitvoerbaarheid voor de verschillende maatregelen in dit wetsvoorstel besproken. Omwille van de leesbaarheid is ervoor gekozen de maatregelen te bundelen in de categorieën maatregelen om de instroom te beperken (onder b), maatregelen voor een efficiëntere procedure (onder c) en de ongewenstverklaring (onder d). Deze paragrafen worden samengenomen in een conclusie (onder e).

b. Maatregelen om de asielinstroom te beperken
De afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, de verkorting van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en beperkingen op het recht van nareis beogen de instroom van het aantal asielzoekers te beperken. In de toelichting worden geen cijfers gepresenteerd waaruit blijkt hoe groot deze afname zal zijn en op welke termijn deze afname wordt verwacht.

Hoewel het denkbaar is dat de voorgestelde maatregelen zullen leiden tot een vermindering van de instroom, zijn bij deze veronderstelling verschillende kanttekeningen te plaatsen. Uit onderzoek blijkt dat de instroom van asielzoekers in grote mate afhankelijk is van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. De keuze voor een bepaalde bestemming hangt vooral samen met de aanwezigheid van een sociaal netwerk. Het nationale asielbeleid speelt slechts een beperkte rol bij de keuze voor een bestemmingsland door asielzoekers.  (zie noot 44)

In de toelichting wordt bovendien niet uitgewerkt hoe het Nederlandse beleid ten aanzien van de duur van verblijfsvergunningen asiel of de voorwaarden voor nareis verschilt ten opzichte van andere landen. Hierdoor is onvoldoende duidelijk of de verschillen dusdanig zijn dat het aannemelijk is dat Nederland een aantrekkelijker bestemmingsland is in vergelijking met andere landen, in hoeverre de voorgestelde maatregelen die verschillen zouden verkleinen, en welke gevolgen dat vervolgens zou hebben voor de instroom.  (zie noot 45)  Hoe dan ook geldt dat het asielbeleid tussen de EU-lidstaten al sterk is geharmoniseerd en dat nog bestaande verschillen met de komst van het Europese Asiel- en Migratiepact – dus met ingang van 12 juni 2026 – nog verder verkleind zullen worden (zie verder punt 6 van dit advies).

Voor deze maatregelen is verder de vraag hoeveel effect zij daadwerkelijk zullen sorteren. Zo is het ook nu al mogelijk om asielvergunningen voor bepaalde tijd tussentijds in te trekken wanneer de grond voor verlening is vervallen.  (zie noot 46)  Een verkorting van de geldigheidsduur is daarvoor niet nodig. Daarnaast zijn er, zoals ook de toelichting bij het wetsvoorstel erkent, verschillende alternatieve routes voorhanden om verblijfsrecht te krijgen of te behouden. Voor de verkorting van de duur van verblijfsvergunningen asiel geldt bijvoorbeeld dat asielzoekers een vergunning regulier voor onbepaalde tijd, de EU-status van langdurig ingezetene of een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM kunnen aanvragen. Volgens de toelichting zal het aantal vreemdelingen met een verblijfsrecht desondanks dalen, omdat aan de alternatieve verblijfsgronden strengere voorwaarden zijn verbonden dan aan de asielvergunning voor onbepaalde tijd en de nareisvergunning. Zo moet de vreemdeling die verzoekt om de status van langdurig ingezetene, aantonen dat hij beschikt over voldoende inkomsten en een ziektekostenverzekering. Een kwalitatieve of kwantitatieve motivering van dit gestelde effect wordt in de toelichting echter niet gegeven.

Ook voor de beperkingen van de nareis geldt dat er verschillende alternatieven blijven bestaan, waaronder het zelfstandig doen van een asielaanvraag of een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM. Voor zover de beperkingen op de mogelijkheid tot nareis ertoe leiden dat asielgerechtigden vaker een beroep zullen doen op artikel 8 EVRM, is van belang dat zulke aanvragen van vluchtelingen volgens de rechtspraak van het EHRM met een grotere voortvarendheid en welwillendheid moeten worden behandeld dan aanvragen van andere vreemdelingen.  (zie noot 47)  De potentiële vermindering van de instroom door de nareisbeperkingen moet dan ook, indien al van daadwerkelijke vermindering sprake zal zijn, niet worden overschat.

Terwijl onduidelijk is of en in hoeverre de voorgestelde maatregelen zullen leiden tot een verlaging van de instroom, zijn er wel duidelijke aanwijzingen dat zij zullen leiden tot een verhoging van de belasting van de asielketen. In de toelichting wordt erkend dat een beroep op de genoemde alternatieve verblijfsgronden niet alleen tot een hogere bewijslast voor vreemdelingen leidt, maar daaraan gekoppeld ook tot een hogere werklast voor de IND. De IND zal immers de aangedragen bewijzen moeten beoordelen.

In de toelichting wordt ook erkend dat de afschaffing van de asielvergunning voor onbepaalde tijd en de inperkingen op de mogelijkheid tot nareis een hogere besliscapaciteit bij de IND vereisen. Daarnaast kan worden gewezen op het (beoogde) effect dat asielgerechtigden, vaker dan nu het geval is, zullen moeten verzoeken om verlenging van hun asielstatus. Dit zal leiden tot extra werk voor de IND, die die verzoeken moet beoordelen.

Bovendien kan de terugkerende herbeoordeling van de asielstatus leiden tot onnodige spanning en onzekerheid bij statushouders  (zie noot 48)  en hun integratie in de Nederlandse maatschappij – die op grond van het Vluchtelingenverdrag moet worden bevorderd  (zie noot 49)  – bemoeilijken. De toelichting vermeldt in dit verband dat asielvergunningen in het algemeen standaard zullen worden verlengd. Dat doet evenwel opnieuw de vraag rijzen naar de effectiviteit van de maatregel en de noodzaak ervan in het licht van de gestelde doelen (beperking van de asielinstroom en ontlasting van de asielketen).

c. Maatregelen voor een efficiëntere asielprocedure
De aanscherping van ontvankelijkheidsvereisten, de mogelijkheid om een asielaanvraag af te wijzen als de vreemdeling niet verschijnt op het gehoor, en de afschaffing van de voornemenprocedure moeten zorgen voor een efficiëntere asielprocedure.

De regering maakt met het aanscherpen van ontvankelijkheidsvereisten en het uitbreiden van de gronden waarop een asielaanvraag kan worden afgewezen gebruik van ruimte die het Unierecht haar expliciet biedt, en die tot nu toe niet ten volle was benut.  (zie noot 50)  Hoewel deze maatregelen wel enig effect op de efficiëntie van de asielprocedure zouden kunnen sorteren, mag dat effect niet worden overschat. Het Hof van Justitie heeft namelijk overwogen dat de gevallen waarin een opvolgende aanvraag als ontvankelijk moet worden beschouwd, ruim moeten worden uitgelegd.  (zie noot 51)  Daarnaast mag het gebruik van de verwijtbaarheidstoets er niet toe leiden dat Unierecht verkeerd wordt toegepast. Zo moet een vreemdeling zich op een arrest van het Hof van Justitie kunnen beroepen, ongeacht of het arrest al was gewezen ten tijde van de voorgaande procedure.  (zie noot 52)  Verder mogen procedureregels er niet toe leiden dat een vreemdeling wordt teruggestuurd naar een land waar hij een risico loopt op onmenselijke behandeling.  (zie noot 53)  De IND en de rechter zullen dit in voorkomende gevallen ambtshalve moeten beoordelen.  (zie noot 54)

De vraag naar de effectiviteit kan ook worden gesteld waar het gaat om de afschaffing van de voornemenprocedure. Bij deze maatregel bestaat bovendien het risico dat hij leidt tot een resultaat dat tegengesteld is aan wat de regering beoogt te bereiken, namelijk tot een verzwaring van de werklast in de asielketen. Zoals opgemerkt in de consultatiereactie van de voorzitter van de ABRvS kan deze maatregel leiden tot een toename in het aantal beroepszaken en een groeiende complexiteit daarvan. Met het afschaffen van het voornemen verdwijnt immers een ‘filter’ waardoor eventuele bezwaren tegen de afwijzing van een asielaanvraag niet al in de fase van de besluitvorming, maar pas in beroep bij de rechter naar voren kunnen worden gebracht.

Zoals ook de toelichting bij het wetsvoorstel vermeldt, kan dit ertoe leiden dat vaker in beroep wordt gegaan en dat de beroepsprocedure complexer en daarmee tijdrovender wordt voor de IND en de rechtspraak. Het ontbreken van een filter in de voorfase kan er verder toe leiden dat besluiten meer onvolkomenheden zullen bevatten en dat beroepen daardoor vaker gegrond zullen worden verklaard. Dit leidt er dan toe dat de IND alsnog een nieuw besluit op de asielaanvraag moet nemen.  (zie noot 55)  Het afschaffen van de voornemenprocedure zou per saldo dus afbreuk kunnen doen aan het doel om procedures (in hun geheel bezien) efficiënter in te richten.

d. Ongewenstverklaring
Het doel van de verruiming van de mogelijkheid tot ongewenstverklaring is om de overlast van onrechtmatig verblijvende vreemdelingen effectiever tegen te gaan, hen te stimuleren om Nederland te verlaten door hun verblijf in of terugkeer naar Nederland strafbaar te stellen en het maatschappelijk draagvlak te behouden jegens vreemdelingen die zich wel aan de wet houden. De Afdeling merkt op dat deze doelstellingen geen direct verband houden met de overkoepelende doelstellingen van het wetsvoorstel, te weten het ontlasten van de asielketen en het verlagen van de instroom. Het is verder de vraag of een ongewenstverklaarde die niet wil terugkeren dat door het opleggen van een inreisverbod alsnog zal doen. Evengoed voorstelbaar is dat die vreemdeling juist in de illegaliteit verdwijnt, wat weer tot andere problemen op het gebied van veiligheid en leefbaarheid kan leiden. In dat verband kan gewezen worden op de reactie van de Nationale politie waarin de centrale rol wordt genoemd die (de verhouding met) het land van herkomst speelt bij terugkeer.  (zie noot 56)  De toelichting gaat op deze aspecten niet in.

De voorgestelde verruiming van de mogelijkheid om een ongewenstverklaring op te leggen is in een verkenning uit 2022 door de DTenV, de IND en het Openbaar Ministerie als uitvoerbaar aangemerkt. Ook de benodigde extra capaciteit achten IND en DTenV haalbaar. De IND heeft in zijn consultatiereactie wel opgemerkt dat de verruiming tot inhoudelijke en technische complexiteit kan leiden vanwege samenloopvraagstukken rond de verhouding tot inreisverboden. De Afdeling merkt op dat dit evenzeer zal gelden voor de rechtspraak. Zo heeft de Rvdr in zijn aanvullende consultatiereactie opgemerkt dat de rechtspraak zeker in de beginfase meer rechtsvragen zal moeten beantwoorden over de uitwerking van de nieuwe regels en de genoemde samenloop.  (zie noot 57)  Ook deze maatregel zal dus gevolgen hebben voor de uitvoeringsorganisaties en de rechtspraktijk.

e. Beoordeling
Het wetsvoorstel beoogt de asielketen te ontlasten en de asielinstroom en het aantal nareizigers in Nederland te verminderen. In de toelichting wordt de effectiviteit van de maatregelen voor het bereiken van deze doelen niet aannemelijk gemaakt. Er wordt niet verwezen naar inzichten uit de asielpraktijk of de wetenschap waaruit blijkt dat redelijkerwijze te verwachten valt dat de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk leiden tot een beperking van de instroom of efficiëntere asielprocedures.

Tegelijkertijd blijkt uit de verschillende consultatiereacties dat een aantal maatregelen grote gevolgen zal hebben voor de asielketen en dat – voor zover betrokken partijen de gevolgen hebben kunnen beoordelen (zie ook punt 4) – de belasting daarvan eerder zal verhogen dan verlagen. Daardoor ligt het bovendien voor de hand dat asielprocedures langer gaan duren. Dit betekent ook dat asielzoekers langer gebruik maken van de asielopvang, waarvan de capaciteit op dit moment al ontoereikend is.

Het ontbreekt in de toelichting verder aan inzicht in de manier waarop de verschillende maatregelen, in onderlinge samenhang bezien, zullen uitwerken. Daarbij dienen ook de maatregelen in het Wetsvoorstel invoering tweestatusstelsel te worden betrokken. Het is immers mogelijk dat een individuele maatregel afzonderlijk bezien uitvoerbaar is en bijdraagt aan het realiseren van (een van) de gestelde doelen, maar dat de samenloop van maatregelen tot problemen voor de uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk leidt. De regering wijst zelf op de noodzaak om complexiteit van regelgeving terug te dringen.  (zie noot 58)  Ook de IND en het COA wijzen in de Stand van Uitvoering 2024 op de noodzaak van een vereenvoudiging van bestaand beleid.  (zie noot 59)  Verschillende van de voorgestelde maatregelen zullen het bestaande asielsysteem echter verder compliceren.

Een hogere werklast voor de asielketen zal financiële consequenties hebben. De financiële paragraaf in de toelichting geeft geen overzicht van de kosten die met dit voorstel gepaard gaan. Uit de meerjarenbegroting blijkt bovendien dat vanaf 2027 sterk wordt bezuinigd op de asielketen.  (zie noot 60)  Hierdoor lijkt niet te worden voorzien in de financiële middelen die nodig zijn om de bestaande achterstanden weg te werken en uitvoering te geven aan de maatregelen in dit wetsvoorstel. Dit terwijl uit verschillende rapporten blijkt dat de huidige knelpunten in de asielketen juist grotendeels veroorzaakt zijn door bezuinigingen in tijden van afnemende aantallen asielzoekers. Deze rapporten wijzen op het belang van stabiele financiering.  (zie noot 61)

De Afdeling merkt ten slotte op dat uitvoeringsproblemen in de praktijk kunnen leiden tot een schending van grondrechten. Wanneer de IND en de rechtspraak niet binnen een redelijke termijn kunnen beslissen over de verblijfsrechten van asielzoekers en nareizigers, komt hun recht op een eerlijk proces in het geding. In het kader van gezinshereniging zijn bovendien het recht op familie- en gezinsleven en de rechten van het kind relevant. Doordat verschillende procedures doorlopen moeten worden, waarin telkens vertraging kan optreden, kan dit leiden tot een langdurige scheiding van gezinsleden.  (zie noot 62)  Ook vanuit dit perspectief is het van belang om aan de uitvoerbaarheid grote prioriteit te geven.

In de toelichting bij het wetsvoorstel is niet aannemelijk gemaakt dat de voorgestelde maatregelen voldoende zullen bijdragen aan de afname van de asielinstroom of een efficiëntieslag bij de asielprocedure om de verwachte uitvoeringsconsequenties te kunnen compenseren. De kans is groot dat dit wetsvoorstel in ongewijzigde vorm juist tot een extra belasting van de asielketen leidt, terwijl het per direct en duurzaam ontlasten van die keten één van de twee hoofddoelen van het voorstel is. De Afdeling adviseert de maatregelen opnieuw te bezien, voor iedere maatregel dragend te motiveren waarom deze effectief en uitvoerbaar is, en anders van de maatregel af te zien.

6. De samenloop met het Europese Asiel- en Migratiepact

Zoals hierboven vermeld, staat het Europese asielbeleid aan de vooravond van een grote hervorming met de invoering van het Europese Asiel- en Migratiepact. Het pact zorgt er onder meer voor dat vreemdelingen aan de buitengrenzen van de Europese Unie worden gescreend en dat er een versnelde grensprocedure komt voor asielzoekers uit landen met een laag inwilligingspercentage. Ook bevat het pact geharmoniseerde regels op het terrein van het asielrecht, zowel inhoudelijk als procedureel. Deze regels zijn grotendeels neergelegd in verordeningen en werken als zodanig rechtstreeks door in het nationale recht. Wel moet hieraan in het nationale recht uitvoering worden gegeven. Dit is, zo vermeldt het regeerprogramma, essentieel voor het beperken van de instroom in Nederland.  (zie noot 63)  In verband hiermee moet de Vreemdelingenwet 2000 uiterlijk voor 12 juni 2026 vergaand worden gewijzigd.

De toelichting bij het wetsvoorstel bevat een summiere passage over het Asiel- en Migratiepact. De regering vermeldt daarin dat enkele onderdelen van het wetsvoorstel vooruitlopen op de uitvoering van het pact. Bij wijze van voorbeeld wijst zij op de afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en de afschaffing van de voornemenprocedure.  (zie noot 64)  De regering heeft besloten tot het nu al voorstellen van deze maatregelen omdat zij het niet verantwoord vindt de maatregelen pas in 2026 in te voeren. Wel zal bij het bepalen van de inwerkingtredingsdatum van de maatregelen uit het wetsvoorstel rekening worden gehouden met de uitvoerbaarheid ervan voor de uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak, aldus de toelichting.  (zie noot 65)  Eventuele samenloop van het pact met het voorliggende wetsvoorstel zal volgens de toelichting worden geadresseerd in de uitvoeringswetgeving voor het pact.  (zie noot 66)

De Afdeling merkt op dat deze toelichting onvoldoende concreet is. Daaruit wordt immers niet duidelijk hoe de voorgestelde maatregelen zich tot het Asiel- en Migratiepact verhouden. Een grondige toelichting daarvan is wel gewenst, omdat uitvoering van het pact gevolgen kan hebben voor verschillende onderdelen van het wetsvoorstel. Zo volgen de voorwaarden voor een asielstatus vanaf 1 juli 2026 rechtstreeks uit de Kwalificatieverordening en dus niet meer uit de Vreemdelingenwet 2000,  (zie noot 67)  verplicht diezelfde verordening dan tot het verlenen van verblijfstitels aan gezinsleden van asielgerechtigden,  (zie noot 68)  en geeft de Procedureverordening dan uniforme regels voor de behandeling van asielaanvragen.  (zie noot 69)  Bepalingen die nu in de Vreemdelingenwet 2000 worden opgenomen, moeten mogelijk daardoor over een jaar alweer worden aangepast of geschrapt.

Ook voor zover de relevante onderdelen van het pact inhoudelijk niet verschillen van het wetsvoorstel, is een nadere toelichting op de samenloop gewenst. Het pact kan immers tot wetstechnische aanpassingen nopen zoals het schrappen van bepalingen die voortaan op Europees niveau zijn vastgelegd en rechtstreeks toepasselijk zijn in Nederland. De consultatieversie van het wetsvoorstel ter uitvoering van het pact wijst in deze richting. Daarin wordt artikel 41 Vreemdelingenwet 2000 geschrapt, terwijl diezelfde bepaling met het voorliggende wetsvoorstel juist in stand wordt gelaten.  (zie noot 70)

Het is onwenselijk als voorgestelde maatregelen op korte termijn weer moeten worden aangepast of ingetrokken. Dit is niet alleen problematisch vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, maar ook vanwege de met dergelijke wijzigingen gemoeid gaande uitvoeringsconsequenties. Zo zullen uitvoeringsinstanties hun werkwijze verschillende keren moeten aanpassen aan de nieuwe regels en zal de rechtspraak verschillende keren geconfronteerd worden met nieuwe rechtsvragen. Door deze cumulatie raakt de ontlasting van de asielketen eerder verder uit beeld dan dat dit doel, zoals het wetsvoorstel beoogt, dichterbij wordt gebracht. De Rvdr en de IND hebben daarom verzocht het onderhavige wetsvoorstel niet in te voeren voordat het Asiel- en Migratiepact is geïmplementeerd.  (zie noot 71)

Tegen deze achtergrond is het aangewezen dat niet alleen de toelichting bij het wetsvoorstel wordt aangevuld, maar ook de inhoud en vormgeving van het wetsvoorstel zelf worden afgestemd met die van het wetsvoorstel tot uitvoering van het Asiel- en Migratiepact. Daarbij is van belang dat het wetsvoorstel tot uitvoering van het pact op relatief korte termijn aan de Staten-Generaal moet worden voorgelegd, wil de regering de uitvoeringstermijn van medio 2026 halen. De regering heeft de Europese Commissie bij brief van 18 september 2024 ook medegedeeld prioriteit te geven aan de uitvoering van het pact.  (zie noot 72)  Volgens het nationaal implementatieplan wenst de regering dat wetsvoorstel begin 2025 aan de Staten-Generaal voor te leggen.  (zie noot 73)

In het verlengde hiervan verdient het nadere toelichting waarom (onderdelen van) het wetsvoorstel niet zijn samengevoegd met het wetsvoorstel ter uitvoering van het Asiel- en Migratiepact. Deze benadering zou voorkomen dat inhoudelijk overeenkomende regels twee keer het wetgevingsproces moeten doorlopen, en dat de praktijk in korte tijd met verschillend vormgegeven regels wordt geconfronteerd. Uiteindelijk zou dit ook kunnen bijdragen aan de effectiviteit en uitvoerbaarheid van de maatregelen. Voor zover in overeenstemming met het Unierecht zouden onderdelen van het geïntegreerde wetsvoorstel eventueel vervroegd in werking kunnen worden gesteld.

De Afdeling adviseert gelet op het voorgaande om de toelichting bij het wetsvoorstel aan te vullen met een overzicht van relevante bepalingen uit het Asiel- en Migratiepact en uit te leggen hoe de voorgestelde maatregelen zich tot die bepalingen verhouden. In het verlengde daarvan adviseert de Afdeling om de inhoud en vormgeving van het voorliggende wetsvoorstel af te stemmen met die van de uitvoeringswet bij het Asiel- en Migratiepact, en in dat verband te overwegen om (onderdelen van) de twee wetsvoorstellen samen te voegen.

7. Rechtszekerheid, gelijke behandeling en procedurele gevolgen

De voorgestelde maatregelen hebben onmiddellijke werking vanaf het tijdstip van inwerkingtreding. Dit betekent dat zij ook van toepassing zullen zijn op lopende aanvragen of de verlenging van vergunningen waarop nog geen beslissing is genomen. Er is voorzien in twee uitzonderingen: 1) bestaande asielvergunningen voor onbepaalde tijd blijven gelden en 2) vreemdelingen die al een voornemen hebben ontvangen, mogen daarop nog reageren met een zienswijze.  (zie noot 74)

Hoewel het uitgangspunt is dat nieuwe regelgeving in werking treedt met onmiddellijke werking,  (zie noot 75)  dient een keuze hiervoor wel te worden gemotiveerd. Wanneer een maatregel onmiddellijke werking heeft, betekent dit namelijk dat bestaande rechtsverhoudingen per direct onder de werking van die maatregel vallen. Dat kan op gespannen voet staan met de rechtszekerheid.  (zie noot 76)  In de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt dan ook als alternatief de mogelijkheid genoemd om een regeling zogeheten eerbiedigende of uitgestelde werking te verlenen.  (zie noot 77)  Eerbiedigende werking houdt in dat bepaalde ‘oude’ gevallen onder het oude recht blijven vallen. Uitgestelde werking houdt in dat het nieuwe recht pas na een bepaalde periode in werking treedt. De beantwoording van de vraag of eerbiedigende of uitgestelde werking wordt toegekend vergt een belangenafweging. In dit verband is onder meer van belang of in de praktijk verwachtingen zijn ontstaan over het voortduren van bepaalde situaties, dan wel het intreden van bepaalde rechtsgevolgen, waaraan de nieuwe regeling afbreuk zal doen.  (zie noot 78)

Behoudens voor de genoemde uitzonderingen op onmiddellijke werking wordt een dergelijke afweging in de toelichting bij het wetsvoorstel niet gemaakt. De onmiddellijke werking van het voorstel kan echter aanzienlijke gevolgen hebben voor individuele aanvragen. De vraag of oud, dan wel nieuw recht van toepassing is, is immers niet afhankelijk van het moment waarop de aanvraag is gedaan, maar van het moment waarop de minister die aanvraag behandelt. In de praktijk kan dit tot resultaten leiden die strijdig zijn met de beginselen van rechtszekerheid en gelijke behandeling. Zo kunnen vreemdelingen die een nareisaanvraag hebben ingediend in de wetenschap dat zij daar recht op hadden, als gevolg van het wetsvoorstel met een afwijzing worden geconfronteerd, terwijl andere, gelijktijdig ingediende aanvragen kunnen worden ingewilligd in geval de minister daar vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel op beslist. Juist om zulke resultaten te vermijden, worden aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf op dit moment getoetst aan het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen.  (zie noot 79)

Ook zijn er procedurele gevolgen. In het bijzonder rijst de vraag hoe wordt omgegaan met aanvragen om nareis waarin al een primair besluit is genomen, maar nog geen besluit op bezwaar. Strikt genomen krijgt de vreemdeling in zulke gevallen slechts één keer te horen hoe de minister zijn aanvraag op basis van het aangepaste recht beoordeelt. Dat doet afbreuk aan de gedachte dat een vreemdeling daar nog een keer op moet kunnen reageren, namelijk door middel van het bezwaar. Een soortgelijk gevolg doet zich voor wanneer een vreemdeling verzoekt om een verblijfsvergunning asiel. In lopende asielprocedures zal namelijk geen voornemen meer worden uitgebracht, terwijl daarvan wel werd uitgegaan ten tijde van de asielgehoren en het indienen van de correcties en aanvullingen (zie ook punt 8b).

In opvolgende asielprocedures zullen vreemdelingen bovendien worden geconfronteerd met aangescherpte ontvankelijkheidseisen. Ingevolge het wetsvoorstel is een opvolgende asielaanvraag immers alleen ontvankelijk indien de daarin aangedragen ‘nieuwe elementen of bevindingen’ de kans ‘aanzienlijk groter’ maken dat de vreemdeling recht heeft op internationale bescherming,  (zie noot 80)  en voor zover die ‘nieuwe elementen of bevindingen’ niet reeds tijdens een eerdere asielprocedure konden worden aangevoerd (verwijtbaarheidscriterium).  (zie noot 81)  Het overgangsrecht doet de vraag rijzen of vreemdelingen voldoende kans krijgen om hun opvolgende aanvraag nader toe te lichten, alvorens daarop het nieuwe recht wordt toegepast.

De Afdeling adviseert het overgangsrecht in die zin aan te passen dat aanvragen om nareis zullen worden behandeld op basis van het recht dat gold ten tijde van de aanvraag. Voor het overige adviseert zij de keuze voor onmiddellijke werking te heroverwegen in het licht van de hiervoor gemaakte opmerkingen.

8. Opmerkingen over specifieke maatregelen

a. Verruiming mogelijkheden tot ongewenstverklaring
Het wetsvoorstel bevat een verruiming van de mogelijkheden om aan vreemdelingen een ongewenstverklaring op te leggen. De situaties waarin dat op dit moment kan, worden opgesomd in het huidige artikel 67, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Het gaat daarbij onder meer om de situatie waarin een vreemdeling onrechtmatig in Nederland verblijft en meerdere strafbare feiten heeft begaan of bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waarvoor een gevangenisstraf van minstens drie jaar kan worden opgelegd.  (zie noot 82)  Een ongewenstverklaring kan momenteel worden opgelegd aan onder meer burgers van de Europese Unie en hun familieleden, niet-EU-burgers van wie het Nederlandse verblijfsrecht wordt ingetrokken terwijl zij in een andere lidstaat verblijven en Dublinclaimanten die in Nederland verblijven maar voor de behandeling van wier asielverzoek een andere lidstaat ingevolge de Dublinverordening verantwoordelijk is.

Hoewel de ongewenstverklaring een nationaalrechtelijke maatregel is, moet het gebruik daarvan voldoen aan de Unie- en internationaalrechtelijke vereisten. De belangrijkste daarvan zijn neergelegd in de Terugkeerrichtlijn. Daarin hebben de lidstaten gemeenschappelijke minimumnormen en procedures voor terugkeer vastgelegd, waaronder de mogelijkheid om een inreisverbod op te leggen. In de Vreemdelingenwet 2000  (zie noot 83)  is momenteel expliciet bepaald dat een ongewenstverklaring alleen kan worden uitgevaardigd als er geen inreisverbod kan worden opgelegd.  (zie noot 84)  Het wetsvoorstel brengt daarin verandering en maakt het mogelijk een ongewenstverklaring uit te vaardigen tegen alle vreemdelingen die aan de inhoudelijke voorwaarden daarvoor voldoen. Het gaat dan in het bijzonder om die vreemdelingen die – als derdelander – onder het bereik van de Terugkeerrichtlijn vallen, en van wie de gedragingen wel aan één van de gronden voor een ongewenstverklaring voldoen, maar aan wie geen zogeheten ‘zwaar’ inreisverbod  (zie noot 85)  kan worden opgelegd omdat niet is voldaan aan de strikte maatstaf van een ‘ernstige bedreiging’ voor de ‘openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid’.

De vraag rijst of deze maatregel in overeenstemming is met de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn om gemeenschappelijke minimumnormen en procedures voor terugkeer vast te stellen, mede om de belangen van betrokkenen te beschermen.  (zie noot 86)  Een nationale maatregel waarmee niet alleen de criteria voor het opleggen van een inreisverbod omzeild worden en die de desbetreffende vreemdeling alleen aanzet het Nederlandse grondgebied, in plaats van dat van de gehele EU, te verlaten, staat daarmee op gespannen voet.  (zie noot 87)  Daarbij geldt bovendien dat in veel gevallen ook een terugkeerbesluit zal worden uitgevaardigd waarin een vertrektermijn wordt onthouden. Daarbij moet hoe dan ook aan het Europese openbare-ordecriterium worden getoetst.  (zie noot 88)

De Terugkeerrichtlijn zelf staat overigens niet in de weg aan het opleggen van een zwaar inreisverbod als niet aan het openbare-ordecriterium is voldaan, zolang het inreisverbod maar niet voor meer dan vijf jaar wordt opgelegd.  (zie noot 89)  Ook in dat geval zal een overtreding van dat inreisverbod een misdrijf  (zie noot 90)  opleveren. Daardoor kan het doel van de verruiming van de mogelijkheid om ongewenstverklaringen op te leggen al worden bereikt. Dat dit momenteel niet gebeurt, is het gevolg van nationale implementatie. Uit de toelichting volgt niet waarom een verruiming van de mogelijkheid om ongewenstverklaringen uit te vaardigen noodzakelijk is. Indien de beperking van de termijn tot vijf jaar naar het oordeel van de regering in het licht van de doelstellingen van het wetsvoorstel tot die verruiming noopt, dan ontbreekt daarvoor de motivering.

Daarbij komt dat een inreisverbod of ongewenstverklaring altijd evenredig en proportioneel moet zijn. Omdat het om gelijksoortige maatregelen met gelijksoortige effecten gaat, is voorstelbaar dat daarvoor dezelfde eisen gelden en daarmee dezelfde invulling van het openbare-ordebegrip. Hierop wordt in de toelichting niet gereflecteerd. Evenmin blijkt uit de toelichting hoe in het voorstel wordt gewaarborgd dat de desbetreffende ongewenstverklaringen evenredig zullen uitpakken. De opmerking in de toelichting dat bij de voorbereiding van besluiten eventuele onevenredige gevolgen kunnen worden gesignaleerd is onvoldoende. Zoals de toelichting erkent, kan er bovendien een samenloop van een inreisverbod en een ongewenstverklaring ontstaan die afbreuk doet aan het nuttig en harmoniserend effect van de Terugkeerrichtlijn.  (zie noot 91)

De Afdeling adviseert daarom de maatregel alsnog dragend te motiveren en daarbij in te gaan op het alternatief om de mogelijkheid om zware inreisverboden van maximaal vijf jaar te verruimen, en anders van deze maatregel af te zien.

b. Afschaffen voornemenprocedure
De besluitvormingsfase bestaat in het asielrecht uit een voornemen en een besluit.  (zie noot 92)  In het voornemen zet de minister uiteen welk besluit hij van plan is te nemen. De vreemdeling wordt in staat gesteld om daarop met een zienswijze te reageren. Vervolgens neemt de minister een besluit waarin hij reageert op deze zienswijze. Met het wetsvoorstel schrapt de regering deze voornemenprocedure, zodat de minister na het horen van de vreemdeling over zijn asielrelaas direct kan overgaan tot het nemen van een besluit.  (zie noot 93)  De regering beoogt de asielprocedure hiermee te vereenvoudigen en te versnellen, en die procedure zoveel mogelijk in lijn te brengen met die van de andere EU-lidstaten.

Tegen het afschaffen van de voornemenprocedure bestaan geen juridische beletselen. Die procedure wordt immers niet internationaal- of Unierechtelijk voorgeschreven. Wel raakt de afschaffing aan uitgangspunten waaraan de beoordeling van asielaanvragen moet voldoen: het recht om gehoord te worden, het zorgvuldigheidsbeginsel en het Unierechtelijke vereiste om “de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen”.  (zie noot 94)  Daarbij moet worden bedacht dat de beoordeling van een asielaanvraag vaak neerkomt op een beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas en, in het verlengde daarvan, de aannemelijkheid van hetgeen de vreemdeling stelt te vrezen als hij wordt teruggezonden naar zijn land van herkomst. Kenmerkend hierbij is dat asielzoekers hiervoor veelal geen hard bewijs kunnen leveren, zodat veel gewicht toekomt aan de waardering van de verklaringen van de vreemdeling.  (zie noot 95)  Zijn die verklaringen consistent? Komen ze overeen met de beschikbare landeninformatie? En kunnen eventuele tegenstrijdigheden in het asielrelaas worden verklaard door de persoonlijke achtergrond van de vreemdeling? Voor een zorgvuldige beantwoording van deze en soortgelijke vragen is het belangrijk dat de vreemdeling op tegenwerpingen kan reageren.

De toelichting vermeldt dat aan deze uitgangspunten voldaan zal blijven worden, omdat vreemdelingen hun asielaanvraag mondeling kunnen blijven toelichten en eventuele correcties en aanvullingen na afloop van het desbetreffende gehoor kunnen blijven indienen. Dit is op zichzelf juist. Bedacht moet echter worden dat de voornemenprocedure op dit moment een belangrijke functie vervult in de toepassing van voormelde procedurele beginselen.  (zie noot 96)  Wanneer die procedure wegvalt, komt extra gewicht toe aan de fase van de gehoren en correcties en aanvullingen. Die fase zal gelet op voornoemde uitgangspunten met bijzondere zorgvuldigheid moeten worden doorlopen.

Het is in die fase dan extra belangrijk dat vreemdelingen effectief in de gelegenheid worden gesteld om een asielaanvraag toe te lichten met, bijvoorbeeld, rapporten over het land van herkomst of hun persoonlijke situatie. Ook na het afnemen van een asielgehoor moet daar ruimte voor zijn, omdat eventuele tegenstrijdige of bevreemdende verklaringen met zulke rapporten in een ander daglicht kunnen worden gesteld. Het huidige beleid geeft echter slechts een korte termijn voor het indienen van correcties en aanvullingen. In de algemene asielprocedure bedraagt die termijn één dag.  (zie noot 97)  Wanneer dit de enige kans is om op een asielgehoor te reflecteren, levert dit strijd op met voornoemde uitgangspunten. De Afdeling merkt op dat het vanuit dit oogpunt aangewezen is om in de toelichting bij het wetsvoorstel uiteen te zetten tot welke beleidswijzigingen de afschaffing van de voornemenprocedure aanleiding geeft.

In het verlengde daarvan rijst de vraag hoe het afschaffen van de voornemenprocedure zich verhoudt tot het voornemen van de regering om het hoger beroep in asielzaken af te schaffen.  (zie noot 98)  Deze combinatie heeft tot gevolg dat asielzoekers voortaan slechts één keer in de gelegenheid worden gesteld om op een afwijzing van een asielaanvraag te reageren, namelijk in beroep bij de rechter. Ook in dat licht is het raadzaam te onderzoeken of de zorgvuldigheid van de besluitvorming na afschaffing van de voornemenprocedure voldoende gewaarborgd blijft.

Ten slotte valt op dat de minister onder het wetsvoorstel wel een voornemen blijft uitbrengen wanneer hij de aanvraag van een asielgerechtigde om een langdurig-ingezetenenstatus wenst af te wijzen. Volgens de toelichting is de reden hiervoor dat zulke procedures geen bezwaarfase kennen, en het voornemen daarom een belangrijke rol speelt bij het nakomen van de samenwerkingsverplichting en het verdedigingsbeginsel.  (zie noot 99)  De Afdeling merkt op dat onduidelijk is waarom deze redenering niet zou opgaan voor de asielprocedure. De asielprocedure ontbeert immers een bezwaarfase, net als de procedure over afwijzing van de langdurig-ingezetenenstatus.  (zie noot 100)

De Afdeling adviseert de toelichting op deze punten aan te vullen en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen.

c. Beperking nareismogelijkheden
Zoals blijkt uit punt 8 van de considerans van de Gezinsherenigingsrichtlijn, hebben de lidstaten met die richtlijn beoogd voor vluchtelingen gunstiger voorwaarden te scheppen om hun recht op gezinsleven uit te oefenen. Dit betekent dat zij via een eenvoudigere procedure om gezinshereniging kunnen verzoeken dan geldt voor andere vreemdelingen en vooral aannemelijk moeten maken dat de desbetreffende vreemdelingen feitelijk tot het gezin van de gezinshereniger behoren. Het bij andere vormen van gezinshereniging gestelde vereiste dat een vreemdeling over voldoende middelen van bestaan beschikt geldt dan niet.  (zie noot 101)  Ook hoeven de betrokkenen geen leges te betalen. Wordt een dergelijke ‘nareis’-aanvraag ingewilligd, dan krijgen de gezinsleden evenals de vreemdeling een asielstatus.

Bij de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn heeft de Nederlandse regering ervoor gekozen de kring van potentiële gezinsleden in de Vreemdelingenwet 2000  (zie noot 102)  ruimer te maken dan waartoe de Gezinsherenigingsrichtlijn (minimaal) verplicht.  (zie noot 103)  Daaronder vallen op dit moment ook vreemdelingen die als ongehuwde partner of meerderjarig kind ‘zodanig afhankelijk’ zijn van de gezinshereniger dat zij ‘om die reden behoren tot diens gezin’.  (zie noot 104)

Met het wetsvoorstel wordt die verruiming deels teruggedraaid. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen de aanvragen van vreemdelingen die gelijktijdig met de gezinshereniger Nederland zijn ingereisd (meereizigers), en aanvragen van vreemdelingen die binnen drie maanden nadat aan de vreemdeling een asielvergunning is verleend zijn nagereisd (nareizigers).  (zie noot 105)  Bij meereizigers blijft de groep gezinsleden die voor gezinshereniging via de nareisprocedure in aanmerking komt onveranderd. Voor nareizigers daarentegen wordt die groep beperkt tot het ‘kerngezin’, waar ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen geen deel van uitmaken.

Deze maatregel is in algemene zin juridisch toelaatbaar. Ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen vallen immers niet dwingend onder het begrip ‘gezinslid’ uit de Gezinsherenigingsrichtlijn.  (zie noot 106)  Ook andere internationale of nationale rechtsregels, zoals artikel 8 EVRM, staan hieraan niet in de weg.  (zie noot 107)  Artikel 8 EVRM verplicht namelijk niet tot het afgeven van een bepaalde vergunning of het inrichten van een meer gunstige procedure.  (zie noot 108)  Bovendien laat het wetsvoorstel onverlet dat een vreemdeling die niet langer onder de nareisprocedure valt, op grond van bijvoorbeeld artikel 8 EVRM alsnog voor gezinshereniging in aanmerking zou kunnen komen.  (zie noot 109)

Hoewel de Gezinsherenigingsrichtlijn dus ruimte biedt voor de voorgenomen beperking van nareis tot het kerngezin, kan de maatregel in de praktijk in sommige gevallen discriminatoir uitpakken. De Rvdr, IND en de NOvA wijzen in dat kader terecht op de situatie van vreemdelingen voor wie het (feitelijk) onmogelijk of zeer gevaarlijk is om in het land van herkomst te huwen. Het gaat dan bijvoorbeeld om landen waarin homoseksuele relaties niet alleen niet erkend worden, maar zelfs strafbaar zijn. Als met dergelijke omstandigheden bij de uitvoering van de maatregel onvoldoende rekening wordt gehouden, zal dit in strijd komen met het verbod op discriminatie, zoals neergelegd in onder andere artikel 21 van het EU-Handvest en artikel 14 van het EVRM. (zie noot 110)  De toelichting gaat daarop niet in, terwijl dat wel noodzakelijk is om te waarborgen dat de maatregel wordt uitgevoerd op een wijze die niet in strijd komt met dat grondrecht.

De Afdeling adviseert daarom de toelichting op dit punt aan te vullen.

9. Slotsom

Het doel van het wetsvoorstel is om de asielketen per direct en duurzaam te ontlasten en de instroom van asielzoekers in Nederland te verminderen. In de toelichting bij het wetsvoorstel wordt echter niet aannemelijk gemaakt dat de maatregelen daadwerkelijk de beoogde effecten zullen hebben. Voor zover de maatregelen gericht zijn op het beperken van de asielinstroom, wordt niet verwezen naar inzichten uit de asielpraktijk of de wetenschap waaruit blijkt dat redelijkerwijze te verwachten valt dat de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk tot minder instroom leiden.

Onderzoek laat zien dat het nationale asielbeleid slechts een beperkte rol speelt bij de keuze voor een bestemmingsland. Voor zover de maatregelen tot een efficiënter verloop van de asielprocedures moeten leiden, mag de effectiviteit van maatregelen niet worden overschat en kunnen verschillende maatregelen zelfs contraproductief zijn. De Afdeling wijst er, met de uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak, op dat de kans daarom groot is dat de voorgestelde maatregelen juist tot een extra belasting van de asielketen leiden. Daarbij zal Nederland vanaf juni 2026 het Europese Asiel- en Migratiepact moeten uitvoeren. Wanneer het wetsvoorstel daarmee niet goed wordt afgestemd, doet dit afbreuk aan de rechtszekerheid en kan dit tot extra problemen leiden in de uitvoering en de rechtspraak.

Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling het wetsvoorstel niet in deze vorm in te dienen bij de Tweede Kamer. In plaats daarvan adviseert zij de maatregelen opnieuw te bezien, voor iedere maatregel dragend te onderbouwen waarom deze effectief en uitvoerbaar is, en anders van de maatregel af te zien. Ook moet worden bekeken hoe een maatregel zich verhoudt tot het Europese Asiel- en Migratiepact. De Afdeling adviseert om de maatregelen uit het wetsvoorstel af te stemmen met die uit de uitvoeringswet ten behoeve van het Europese Asiel- en Migratiepact, en daarbij te overwegen om (onderdelen van) de twee wetsvoorstellen samen te voegen. Daarnaast heeft de Afdeling onder punten 7 en 8 verschillende opmerkingen van juridische aard gemaakt, die volgens haar tot aanpassing van het wetsvoorstel en de toelichting moeten leiden. Bij de heroverweging van deze maatregelen is het noodzakelijk dat de uitvoeringsorganisaties en rechtspraktijk op zorgvuldige wijze worden betrokken.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.

De vice-president van de Raad van State.

Voetnoten

(1) Het lid Van Zwol heeft op grond van artikel 27e van de Wet op de Raad van State niet deel genomen aan de voorbereiding van en de beraadslaging en besluitvorming over dit advies.
(2) Memorie van toelichting, Algemeen deel, onder 1. Inleiding en 2. Hoofdlijnen van het voorstel.
(3) Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis.
(4) Kamerstukken II 2024/25, 19637, nr. 3304.
(5) Memorie van toelichting, Algemeen deel, Hoofdlijnen van het voorstel, 2.1. Noodzaak van dit voorstel.
(6) Voorgesteld artikel 31a van de Vreemdelingenwet 2000. Het betreft een implementatie van artikel 28, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Zie verder ABRvS 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2604, onder 5.
(7) Zie Sociaal-Cultureel Planbureau, Burgerperspectieven 2024, bericht 3, p. 10-16; Adviesraad Migratie, Realisme rond richtgetallen. Kansen en risico’s van streefcijfers en quota’s in het migratiebeleid, december 2022, p. 10.
(8) Zie ABD Topconsult, Bouwstenen voor het asielbeleid en asielstelsel, 8 februari 2024; Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050, Gematigde Groei, 15 januari 2024. Zie ook Adviesraad Migratie, Naar een toekomstgericht migratiebeleid – Notitie voor programma’s Tweede Kamerverkiezingen, 23 augustus 2023.
(9) Staat van Migratie 2024, Kamerstukken II 2023/24, 30573, nr. 214.
(10) IND, Monthly Report on Asylum Application in The Netherlands, December 2024.
(11) IND, Maandcijfers IND december 2024, te raadplegen op www.ind.nl.
(12) Zie ook de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid betreffende het toezicht Inspectie Justitie en Veiligheid Ter Apel, 16 december 2024, bijlage bij Kamerstukken II 2024/25 19627, nr. 3342, de brief van de Kinderombudsman betreffende oproep van de Kinderombudsman t.b.v. debat over de spreidingswet, 12 januari 2024.
(13) Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève 28 juli 1951, Trb. 1951, 131. Protocol betreffende de status van vluchtelingen, New York 31 januari 2967, Trb. 1967, 76.
(14) Zie artikel 18 en 19 van het EU-Handvest, artikelen 2 en 3 van het EVRM en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing, New York, 10 december 1984.
(15) Artikel 78, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de EU.
(16) Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, Pb EU L337/9.
(17) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale Bescherming, PB EU L 180/60.
(18) Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, PB EU L 251/12.
(19) Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, PB EU L16/44.
(20) Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, PB EU L 348/98.
(21) Zie Kamerstukken II 2024/25, 32167, nr. 908.
(22) Zie aanwijzing 9.9 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(23) Het implementatiewetsvoorstel staat op dit moment op internetconsultatie.nl/asielenmigratiepact/b1.
(24) Zie artikel 1 en 10 van de Grondwet, artikel 8 en 14 EVRM en artikel 7 en 21 EU-Handvest.
(25) Zie ten aanzien van de toepassing van artikel 6 EVRM in het vreemdelingenrecht, ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.1. Zie ook artikel 41 EU-Handvest en HvJEU 27 december 2012, H.N. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2014:302, punten 49, 50 en 56.
(26) Zie paragraaf 2.1 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(27) Daarom beoordeelt de Afdeling in het kader van haar beleids- en uitvoeringsanalyse of voldoende inzicht wordt geboden in de vooronderstellingen en aannames die aan het voorstel ten grondslag liggen en of daarmee de effectiviteit en de uitvoerbaarheid van het voorstel op een overtuigende wijze worden onderbouwd in de toelichting. De beleids- en uitvoeringsanalyse maakt onderdeel uit van het beoordelingskader van de Afdeling; zie raadvanstate.nl/overrvs/advisering/beoordelingskader.
(28) Zie bijvoorbeeld de Inleiding, p. 4 en 7, en paragraaf 7.2. van het regeerprogramma, Bijlage bij Kamerstukken II 2023/34, 36471, nr. 96.
(29) Zie ook artikel 3.1. van de Comptabiliteitswet 2016.
(30) Zie paragraaf 7.1. van het regeerprogramma, Bijlage bij Kamerstukken II 2023/34, 36471, nr. 96.
(31) Aanwijzing 2.3 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Met betrekking tot formele consultatie, zie het Draaiboek voor de Regelgeving, nr. 18. Met betrekking tot de internetconsultatie, zie het Draaiboek voor de Regelgeving, nr. 16. Zie ook de brief van de vice-president van de Raad van State aan de minister-president van 19 april 2021 met als onderwerp ‘Aanbevelingen ter bevordering van de wetgevingskwaliteit’.
(32) Memorie van toelichting, Algemeen deel, Advies en consultatie.
(33) Consultatiereactie van de IND betreffende de Asielnoodmaatregelenwet en Tweestatusstelsel, 29 november 2024.
(34) Reactie van DTenV op Asielnoodmaatregelenpakket (ongedateerd).
(35) Brief van voorzitter van de Rvdr van 2 december 2024 betreffende het verzoek advies uit te brengen t.a.v. het Wetsvoorstel tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet. Op 20 januari 2025 heeft de Rvdr een aanvullende consultatiereactie openbaar gemaakt. De Afdeling heeft hiervan kennis genomen en heeft de consultatiereactie betrokken bij de advisering, hoewel de regering nog niet in de gelegenheid is geweest om hierop te reageren. Gelet op het feit dat de minister de Afdeling heeft gevraagd met spoed te adviseren, heeft Afdeling besloten om deze reactie niet af te wachten.
(36) Brief van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 2 december aan het ministerie van Asiel en Migratie met een reactie op het consultatieverzoek over het Wetsvoorstel tweestatusstelsel en wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet.
(37) Brief van het College van Procureurs-generaal van Openbaar Ministerie van 2 december 2024 betreffende Advies inzake Asielnoodmaatregelenwet.
(38) Brief van de Nationale Politie van 4 december 2024 betreffende Consultatie Asielnoodmaatregelenwet.
(39) Zie artikel 2 van de Vreemdelingenwet 2000 en de Kaderwet adviescolleges. Zie verder advies van de Afdeling advisering van 20 december 2023 over de Wijziging van het Besluit inburgering 2021, het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 en het Vreemdelingenbesluit 2000, (W16.23.00311/II), Stcrt. 2024, nr. 11957, punt 1.
(40) Consultatiereactie van de NOvA van 2 december 2024 betreffende Advies Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis.
(41) Zie brief van het College van de Rechten van de Mens aan de minister van Asiel en Migratie van 17 december 2024.
(42) Zie brief van de Commissie Meijers aan de minister van Asiel en Migratie over de gebrekkige betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het wetgevingsproces van 17 december 2024.
(43) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 6.1 Overgangsrecht en inwerkingtreding.
(44) Zie bijvoorbeeld IND, Literatuurstudie pullfactoren, september 2024; M. Kahmann, A. Hamdi & M. Verstappen, Invloed asielbeleid op migratie naar Nederland, Verwey Jonker Instituut/WODC 2023.
(45) Zie ook het advies van de Afdeling advisering van 24 april 2019, (W16.19.0047/II), Kamerstukken II 2020/21, 35691, nr. 4, punt 2.a.
(46) Artikel 32, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000. Zie ook het advies van de Afdeling advisering van 24 april 2019, (W16.19.0047/II), Kamerstukken II 2020/21, 35691, nr. 4, punt 2.b.
(47) Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 10 juli 2014, Tanda-Muzinga t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2014:0710JUD000226010, paragraaf 75, en de arresten van het HvJEU van 7 november 2018, K&B, ECLI:EU:C:2018:877, punt 53, en 13 maart 2019, E, ECLI:EU:C:2019:192, punten 65 en 66.
(48) Zie ook het advies van de Afdeling advisering van 24 april 2019, (W16.19.0047/II), Kamerstukken II 2020/21, 35691, nr. 4, punt 2.c.
(49) Artikel 34 Vluchtelingenverdrag.
(50) Zie ABRvS 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699, onder 6.3; ABRvS 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699, onder 4.2, onder verwijzing naar HvJEU 9 september 2021, XY, ECLI:EU:C:2021:710 (antwoord op derde prejudiciële vraag); ABRvS 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2604, onder 5.
(51) HvJEU 8 februari 2024, AA, ECLI:EU:C:2024:122, punt 36.
(52) HvJEU 8 februari 2024, AA, ECLI:EU:C:2024:122, punt 47 en 54.
(53) EHRM 19 februari 1998, Bahaddar t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494. Zie verder hierover ABRvS 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
(54) HvJEU 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892.
(55) Zie ook IND, ex ante uitvoeringstoets afschaffen voornemenprocedure, december 2024, p. 21-22, 24-27, 30-32, 46-47. Volgens p. 49-50 is de IND op zijn vroegst na zes maanden in staat om de verhoogde werklast op te vangen.
(56) Consultatiereactie van de Nationale politie van 4 december 2024, p. 3.
(57) Zie aanvullende consultatiereactie van de Rvdr van 20 januari 2025, p. 8 en 9.
(58) Regeerprogramma, Bijlage bij Kamerstukken II 2023/34, 36471, nr. 96, p. 83, 88.
(59) Deze zijn te raadplegen op www.staatvandeuitvoering.nl.
(60) Kamerstukken II 2024/25, 36600 XX, nr. 2.
(61) ABD Topconsult, Bouwstenen voor het asielbeleid en asielstelsel, 8 februari 2024. Algemene Rekenkamer, rapport Focus op opvangcapaciteit voor asielzoekers, januari 2023. Zie ook Brief van de Algemene Rekenkamer over de ontwerpbegroting van het Ministerie van Asiel en Migratie voor het jaar 2025, Kamerstukken II 2024/25, 36600 XX, nr. 4, en de Staat van de Uitvoering van het COA en de IND, te raadplegen op www.staatvandeuitvoering.nl
(62) Zie het advies van de Afdeling advisering van 8 februari 2023 over de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met verlenging van de beslistermijnen in asiel- en nareiszaken, (W16.22.00182/II), Kamerstukken II 2022/23, 26349, nr. 4, onder punt 3.
(63) Regeerprogramma, Bijlage bij Kamerstukken II 2023/34, 36471, nr. 96, p. 20.
(64) Memorie van toelichting, paragraaf 6.2 Samenloop met andere wetsvoorstellen.
(65) Memorie van toelichting, paragraaf 5, onder ‘Samenhang met het Asiel- en Migratiepact’.
(66) De consultatieversie van de uitvoeringswet is te vinden op internetconsultatie.nl/asielenmigratiepact/b1.
(67) Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad (Kwalificatieverordening).
(68) Artikel 23 van de Kwalificatieverordening.
(69) Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU.
(70) Zie de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel, paragraaf 2.2.4 en 3.2.4, onder ‘Voornemenprocedure bij voorgenomen intrekking’, en artikel I, onderdeel AF, van het voorstel in consultatie, te vinden op internetconsultatie.nl/asielenmigratiepact/b1.
(71) Aanvullende consultatiereactie van de Rvdr van 20 januari 2025, p. 4 en 7; advies IND van 29 november 2024, p. 3.
(72) Brief van de minister van Asiel en Migratie aan de Eurocommissaris voor Binnenlandse Zaken van 18 september 2024, bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 19637, nr. 3273.
(73) Nationaal Implementatieplan Asiel- en Migratiepact, bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 32317, nr. 908, p. 6.
(74) Memorie van Toelichting, paragraaf 6.1 Overgangsrecht en inwerkingtreding.
(75) Aanwijzing 5.61 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(76) Vergelijk de voorlichting van de Afdeling advisering van 3 juli 2012, (W12.12.0147/III), Kamerstukken II 2012/13, 33400-XV, nr. 7, punt 3.3.
(77) Aanwijzing 5.64 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(78) Toelichting bij aanwijzing 5.64 Aanwijzingen voor de regelgeving.
(79) Artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Zie Stb. 2012, 308, artikelsgewijze toelichting. Volgens paragraaf 5, onder ‘Beperken nareis tot kerngezin’, van de toelichting bij het voorstel Wet invoering tweestatusstelsel is de regering voornemens om artikel 1.27 Vreemdelingenbesluit 2000 te wijzigen.
(80) Voorgesteld artikel 30a, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet 2000.
(81) Voorgesteld artikel 30a, eerste lid, onder f, Vreemdelingenwet 2000.
(82) Artikel 67, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
(83) Artikel 67, eerste lid, aanhef, van de Vreemdelingenwet 2000.
(84) Geïmplementeerd in artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3581, onder 11.4.
(85) Een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar: artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
(86) Zie bijvoorbeeld punten 1-5 en 11 van de considerans bij die richtlijn.
(87) Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 4 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1725, r.o. 8 t/m 9.2 waaruit volgt dat lidstaten bij de vaststelling van de rechtsgevolgen van een inreisverbod niet zelf mogen bepalen hoe zij het openbare orde-begrip invullen.
(88) HvJEU 11 juni 2015, Zh en O, ECLI:EU:C:2015:377, punt 60.
(89) Artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het begrip ‘zwaar inreisverbod’ komt in de richtlijn niet terug.
(90) Artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.
(91) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.2.3 Verruiming mogelijkheden tot ongewenstverklaring.
(92) Artikel 39 en artikel 42, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
(93) Alleen wanneer de minister de aanvraag wil afwijzen op grond van gegevens die afwijken van de gegevens die de vreemdeling zelf heeft verstrekt, moet de minister dan nog een voornemen uitbrengen. Zie artikel 4:7 Awb.
(94) Artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. De samenwerkingsplicht geldt in het kader van de feitenvaststelling, en dus niet in het kader van de juridische kwalificatie daarvan; zie HvJEU 22 november 2012, M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744, punt 64.
(95) Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890, onder 8.1 en 9.
(96) Zie bijvoorbeeld ABRvS 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1085, onder 2.1.
(97) Paragraaf C1/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
(98) Regeerprogramma, Bijlage bij Kamerstukken II 2023/34, 36471, nr. 96, p. 21.
(99) Memorie van toelichting, paragraaf 3.2.4, onder ‘Voornemenprocedure bij aanvraag langdurig ingezetene’, onder verwijzing naar artikel 79, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000.
(100) Artikel 7:1, eerste lid, onder g, Awb jo. Regeling rechtstreeks beroep in Bijlag

Reacties uitgeschakeld voor NOOT 52A/WEES PARAAT!

Opgeslagen onder Divers

NOTEN 50 EN 51/WEES PARAAT!

[50]

HET PAROOL

MINISTER FABER HOUDT VAST AAN ASIELPLANNEN, ONDANKS

KRITIEK RAAD VAN STATE: ”IK GA NIETS AANPASSEN”

12 FEBRUARI 2025

https://www.parool.nl/nederland/minister-faber-houdt-vast-aan-asielplannen-ondanks-kritiek-raad-van-state-ik-ga-niets-aanpassen~b5443f6b

Minister Marjolein Faber (PVV) blijft vasthouden aan haar asielplannen, zelfs nu de Raad van State in een kritisch advies grote vraagtekens zet bij de uitvoerbaarheid daarvan. Intussen gebeurt er bij de PVV iets wat zelden voorkomt: openlijke kritiek op de partijkoers, van een staatssecretaris.

“Het eerlijke verhaal is dat het nog naar de ministerraad moet. Maar ik als vakminister ga niks aanpassen. We gaan het eerst bespreken in de ministerraad,” reageert Asielminister Marjolein Faber woensdagochtend in de Tweede Kamer op vragen van de media. Faber houdt daarmee vast aan de PVV-koers dat er niks mag worden veranderd aan de oorspronkelijke asielvoorstellen. Of Faber ook ná bespreking in het kabinet niks wil wijzigen, is nog onduidelijk.

Het asieldossier staat onder hoogspanning nu de PVV nul aanpassingen tolereert aan de wetsvoorstellen van Faber – ‘de kroonjuwelen’ van de partij, in de woorden van partijleider Geert Wilders.

Eerder deze week oordeelde kabinetsadviseur Raad van State uiterst kritisch over Fabers voorstellen. Die zouden niet effectief zijn en lastig uitvoerbaar. Ook bestaat met de plannen het risico van ongelijke behandeling van asielzoekers.

Wilders speculeert op val kabinet

Normaal gesproken wijzigt het kabinet na zo’n commentaar van de Raad van State een aantal punten, om het plan alsnog in te dienen bij de Tweede Kamer.

Maar de PVV maakt de politieke ruimte voor aanpassingen marginaal. Wilders waarschuwt keer op keer dat zijn partij genoeg concessies heeft gedaan en dat de asielplannen nu ongewijzigd door moeten naar de Tweede Kamer. Anders trekt hij de stekker uit het kabinet, dreigde Wilders dinsdag. “Ik heb het de minister-president gezegd: aan de wettekst wordt geen letter aangepast. En als het kabinet hierop valt, dan ligt dat aan NSC.”

Slecht voorteken

Dat Wilders openlijk speculeert over een kabinetsval beschouwen Haagse ingewijden als een slecht voorteken voor de coalitie. Vorige week bleek al dat de PVV-leider rekening houdt met een vroegtijdig einde van het kabinet, dat speelde een rol in zijn botsing met staatssecretaris Ingrid Coenradie (Gevangeniswezen, PVV). Die zit met een cellentekort, haar noodgreep om gevangen een paar weken eerder vrij te laten, is tegen het zere been van de PVV-leider. De twee botsten vorige week hard, waarna Wilders twitterde dat gevangenen echt niet eerder vrijkomen – ‘no way!’

Bijzonder is wel dat Coenradie niet inbindt. Op dinsdagavond koos ze ervoor om in de talkshow van Eva Jinek haar koers te verdedigen, ze deinsde er niet voor terug om de partijleider – subtiel, maar toch – tegen te spreken. Opstappen zou ze ook niet doen; ‘no way’, zei ze Wilders na.

Zulke openlijke kritiek van PVV-bewindspersonen op de partijleider is uniek bij de partij, die juist bekendstaat om zijn loyaliteit en Wilders’ alleenheerschappij.

EINDE

[51]

NOS

MINISTER FABER OVER ASIELWETTEN: ”HOOGUIT PUNTEN

EN KOMMA’S AANPASSEN”

7 FEBRUARI 2025

https://nos.nl/artikel/2554874-minister-faber-over-asielwetten-hooguit-punten-en-komma-s-aanpassen

Minister Faber is niet van plan om de asielwetten aan te passen naar aanleiding van het advies van de Raad van State. “Misschien een punt en een komma, maar dat is het”, zegt de PVV-minister van Asiel en Migratie.

Faber heeft de adviezen van het hoogste adviesorgaan naar eigen zeggen nog niet gelezen, maar doet dat dit weekend. De kans is volgens haar klein dat ze die opvolgt. “Ik ben ervan overtuigd dat mijn juristen een goed voorstel hebben neergelegd. Het advies is niet bindend, ik kan ermee doen wat ik wil.”

Het langverwachte advies van de Raad van State over de strengere asielwetten van het kabinet wordt maandag openbaar. Verschillende bronnen melden dat het adviesorgaan kritisch is op de voorstellen, vooral als het gaat om de uitvoerbaarheid.

Spanning loopt op

Als de adviezen heel kritisch zijn, zou dat voor grote spanning in het kabinet kunnen zorgen. NSC zegt zeer te hechten aan goed bestuur en zorgvuldige wetten.

De PVV wil juist dat de wetten zo snel mogelijk door het parlement komen. Partijleider Geert Wilders zei gisterenavond dat de wetten “snel en ongewijzigd” moeten worden ingevoerd.

Wilders moest eerder afzien van strengere asielregels via noodrecht, vanwege grote bezwaren van NSC. Vervolgens is binnen de coalitie afgesproken om de huidige asielwetten met spoed te behandelen.

“Ik heb haast, we hebben al veel tijd verloren”, zegt Faber daarover. “Men wilde spoedwetten hebben. Dus die krijgen ze. Ik ga er dus spoed op zetten.”

‘Uitvoerbaar en zorgvuldig’

Minister Van Hijum (NSC) van Sociale Zaken sluit nog niet uit dat er aanpassingen moeten komen naar aanleiding van het advies. Volgens hem moeten de wetten uitvoerbaar en zorgvuldig zijn om ze door de Eerste en Tweede Kamer te krijgen.

“Wetten aannemen is één ding, maar wetten moeten in de praktijk ook doen waarvoor ze zijn bedoeld”, zei hij bij aanvang van de ministerraad. “Dat is in dit geval de instroom beperken. Daarover zijn alle partijen in het kabinet het eens.”

EINDE

Reacties uitgeschakeld voor NOTEN 50 EN 51/WEES PARAAT!

Opgeslagen onder Divers

NOTEN 48 EN 49/WEES PARAAT!

[48]

ZIE NOOT 45

[49]

Asielnoodmaatregelenwet

Drie voorstellen gaan nu naar de Raad van State voor advies. De Asielnoodmaatregelenwet omvat onder meer de afschaffing van permanente verblijfsvergunningen, beperking van de geldigheidsduur van asielvergunningen tot drie jaar, verruiming van de ongewenstverklaring, beperking van nareis tot kerngezinnen en maatregelen om asielprocedures efficiënter te maken.

Tweestatusstelsel

Daarnaast stelt Faber een zogenoemd tweestatusstelsel voor. Het wetsvoorstel maakt onderscheid tussen vluchtelingen en mensen die op andere gronden bescherming krijgen. Dit geeft extra mogelijkheden om de instroom van nareizigers van mensen in die tweede groep te verlagen. 

Een grote groep mensen wacht momenteel in het buitenland om naar Nederland te komen. Dit wetsvoorstel zal voor een deel van deze groep bij de gezinshereniging meer voorwaarden stellen, zoals een wachttijd, de beschikking over huisvesting en inkomen.

Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring

Tenslotte gaat de Raad van State zich buigen over een wijziging bij het wetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring. Dit wetsvoorstel regelt onder meer dat niet meewerken aan uitzetting strafbaar wordt en dat het onderscheid tussen strafrechtelijk gedetineerden en vreemdelingenbewaring scherper wordt afgebakend. Tevens geeft deze wet meer bevoegdheden aan de uitvoeringsorganisaties om gegevens te delen die helpen om de herkomst van vreemdelingen vast te stellen, opdat ze kunnen worden teruggestuurd.”

RIJKSOVERHEID

MINISTERRAAD STEMT IN MET ASIELPLANNEN MINISTER FABER

20 DECEMBER 2024

https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/12/20/ministerraad-stemt-in-met-asielplannen-minister-faber

Nieuwsbericht | 20-12-2024 | 14:55

Minister Faber (Asiel en Migratie) heeft een omvangrijk pakket maatregelen gepresenteerd om de instroom in ons asielsysteem zoveel mogelijk te beperken. De ministerraad heeft ingestemd met verzending van de wetsvoorstellen aan de Raad van State. Faber is tevreden met deze stap op weg naar het strengste asielbeleid ooit. 

Minister Faber: “Dit is wat Nederlanders willen: een fundamentele koerswijziging in het beleid om de instroom te beperken en terugkeer te bevorderen. Ik ben blij dat de ministerraad heeft ingestemd met deze plannen.”

Asielnoodmaatregelenwet

Drie voorstellen gaan nu naar de Raad van State voor advies. De Asielnoodmaatregelenwet omvat onder meer de afschaffing van permanente verblijfsvergunningen, beperking van de geldigheidsduur van asielvergunningen tot drie jaar, verruiming van de ongewenstverklaring, beperking van nareis tot kerngezinnen en maatregelen om asielprocedures efficiënter te maken.

Tweestatusstelsel

Daarnaast stelt Faber een zogenoemd tweestatusstelsel voor. Het wetsvoorstel maakt onderscheid tussen vluchtelingen en mensen die op andere gronden bescherming krijgen. Dit geeft extra mogelijkheden om de instroom van nareizigers van mensen in die tweede groep te verlagen. 

Een grote groep mensen wacht momenteel in het buitenland om naar Nederland te komen. Dit wetsvoorstel zal voor een deel van deze groep bij de gezinshereniging meer voorwaarden stellen, zoals een wachttijd, de beschikking over huisvesting en inkomen.

Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring

Tenslotte gaat de Raad van State zich buigen over een wijziging bij het wetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring. Dit wetsvoorstel regelt onder meer dat niet meewerken aan uitzetting strafbaar wordt en dat het onderscheid tussen strafrechtelijk gedetineerden en vreemdelingenbewaring scherper wordt afgebakend. Tevens geeft deze wet meer bevoegdheden aan de uitvoeringsorganisaties om gegevens te delen die helpen om de herkomst van vreemdelingen vast te stellen, opdat ze kunnen worden teruggestuurd.

Eerdere maatregelen

Eerder heeft minister Faber al maatregelen genomen of aangekondigd, zoals de invoering van grenscontroles, uitbreiding van de mogelijkheden om criminele vreemdelingen uit te zetten, een opt-out bij toekomstige wijzigingen in Europese asielverdragen en beëindiging van de Landelijke vreemdelingen voorziening per 1 januari 2025. 

Duidelijk signaal

Minister Faber: “Al deze maatregelen samen geven een duidelijk signaal af. Dit kabinet koerst op het strengste asielregime en de strengste toelatingseisen ooit. Het kabinet verwacht dat dergelijke maatregelen zullen bijdragen aan vermindering van de instroom en tevens een positief effect hebben op terugkeer. Daarbij gaat het om vreemdelingen die geen recht hebben op verblijf en vreemdelingen die terug kunnen wanneer de veiligheidssituatie in hun land van herkomst verbetert. Door minder instroom en meer terugkeer neemt ook de druk af op IND en asielopvang, en daarmee de druk op huisvesting, zorg en onderwijs.”

Documenten

Zie ook

Verantwoordelijk

NOS

KABINET ACCOORD MET DRIE NIEUWE ASIELWETTEN, NU

JURIDISCH ADVIES GEVRAAGD

20 DECEMBER 2024

https://nos.nl/artikel/2549040-kabinet-akkoord-met-drie-nieuwe-asielwetten-nu-juridisch-advies-gevraagd

Het kabinet is officieel akkoord gegaan met drie asielwetten van minister Faber van Asiel en Migratie. Nu gaat de Raad van State, de onafhankelijk adviseur van het kabinet, kijken of deze strengere asielwetten ook uitgevoerd kunnen worden en juridisch deugdelijk in elkaar zitten.

Rond half februari wordt het advies van de Raad van State verwacht en dan wordt helder of minister Faber alsnog haar voorstellen moet aanpassen. De PVV-minister heeft het vertrouwen dat haar plannen doorgaan. “Maar als de Raad van State kritiek heeft, gaan mijn juristen en ik voortvarend aan de slag. Want er moet iets gebeuren.”

Effect

Eind oktober kondigde Schoof al een strenger asielbeleid aan en zei dat Faber zo snel mogelijk met een uitgewerkt plan zou komen. Het was dinsdag al duidelijk dat behalve de PVV-bewindslieden ook bewindslieden van de VVD, BBB en NSC zich konden vinden in de plannen om de instroom van asielzoekers zoveel mogelijk te beperken.

Minister Faber zegt vandaag blij te zijn dat ze nu verder kan. Ze verwacht ook dat haar plannen effect zullen hebben. “Dit is wat Nederlanders willen: een fundamentele koerswijziging in het beleid om de instroom te beperken en de terugkeer te bevorderen.”

De drie wetsvoorstellen van minister Faber

1) De asielnoodmaatregelenwet met onder andere:

  • afschaffen van permanente verblijfsvergunningen
  • Asielvergunning 3 jaar geldig, in plaats van 5
  • verruiming ongewenstverklaring
  • beperking nareis tot kerngezinnen

2) Tweestatusstelsel:

  • Onderscheid tussen mensen die vluchten voor gevaar vanwege etniciteit, seksuele geaardheid of religie, en mensen die vluchten voor oorlog en (natuur)geweld. Nu bestaat dat onderscheid niet

3) Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring:

  • Strafbaar maken als mensen niet meewerken aan uitzetting

De maatregelen komen in de plaats van het omstreden staatsnoodrecht, dat het kabinet eerder wilde. Regeringspartij NSC had dermate grote bezwaren tegen dit staatsnoodrecht dat de PVV bereid was het over een andere boeg te gooien.

PVV-partijleider Wilders vindt overigens dat de partij genoeg compromissen heeft gesloten en wil niet dat de vandaag gepresenteerde plannen van Faber verder worden afgezwakt.

Er zijn trouwens grote zorgen bij hogere rechtsorganen over de vandaag gepresenteerde asielwetten. De Raad van State en de Raad voor de Rechtspraak vrezen een zeer grote extra belasting voor de rechtbanken en de Immigratie- en Naturalisatiedienst, hebben ze al laten weten.

Faber heeft ondanks deze kritiek geen aanpassingen gedaan. Ze erkent dat er extra belasting zal komen bij rechtbanken en de IND. “Maar alle begin is moeilijk, nu loopt het ook vast.”

EINDE

Reacties uitgeschakeld voor NOTEN 48 EN 49/WEES PARAAT!

Opgeslagen onder Divers

NOOT 47/WEES PARAAT!

[47]

”De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) tekent hiertegen publiekelijk bezwaar aan. De Orde kreeg van Faber een week de tijd om te reageren op het complexe wetsvoorstel waarmee zij het tweestatusstelsel voor asielzoekers wil (her)invoeren.”

VOLKSKRANT

FABER BEPERKT INSPRAAK VAN ADVIESORGANEN BIJ OVERHAASTE WETGEVING

7 DECEMBER 2024

https://www.volkskrant.nl/politiek/faber-beperkt-inspraak-van-adviesorganen-bij-overhaaste-wetgeving~b0c620a5

Minister Marjolein Faber (Asiel en Migratie, PVV) zet bij het invoeren van nieuwe asielmaatregelen ongebruikelijk grote druk op het wetgevingsproces. Faber beperkt de mogelijkheid tot inspraak van maatschappelijke organisaties, die zij bovendien zonder toelichting om vertrouwelijkheid heeft gevraagd.

De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) tekent hiertegen publiekelijk bezwaar aan. De Orde kreeg van Faber een week de tijd om te reageren op het complexe wetsvoorstel waarmee zij het tweestatusstelsel voor asielzoekers wil (her)invoeren.

Sanne van Oers, algemeen deken van de Orde, hekelt de geëiste snelheid, die volgens haar de kwaliteit van de wetgeving in het gedrang brengt. ‘Wij vrezen dat deze gang van zaken vaker gaat voorkomen, hetgeen grote gevolgen heeft voor onze democratische rechtsstaat.’

In een brief aan de Tweede Kamer met de voorgenomen planning van haar voorstellen schreef Faber op 14 november dat het wetsvoorstel voor het tweestatusstelsel ‘voor een korte periode’ zou worden voorgelegd ‘voor advies en uitvoeringstoetsen’. De NOvA ontving op 25 november het wetsvoorstel, dat voluit ‘Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis’ heet.

Geschrokken

Het begeleidende verzoek was om binnen een week te reageren. De NOvA typeert deze gang van zaken als ‘met stoom en kokend water’ en zegt ‘geschrokken’ te zijn. Gangbaar is een consultatieperiode van minimaal vier weken. Gedurende die tijd kunnen burgers, bedrijven en instellingen via de overheidssite internetconsultatie.nl suggesties doen om wetsvoorstellen te verbeteren. Ministeries mogen hiervan afwijken in het geval van ‘haast bij regelgeving’, maar daarvoor is volgens de Orde in dit geval geen reden.

Faber wil via de gekozen spoedprocedure het wetsvoorstel nog voor kerst aan de Raad van State voorleggen, waarna het begin volgend jaar naar de Tweede Kamer kan. Diezelfde procedure volgt Faber voor de ‘asielnoodmaatregelenwet’, die in de plaats is gekomen van het aanvankelijk aangekondigde noodrecht. Daarmee zou het parlement buitenspel worden gezet.

De NOvA is verontrust dat zij de noodmaatregelenwet zelfs helemaal niet te zien heeft gekregen. In haar brief van 14 november beloofde Faber dat ook dit wetsvoorstel voor advies zou worden voorgelegd. Zij schreef bovendien: ‘Om dit wetsvoorstel vervolgens zo snel mogelijk bij de Tweede Kamer in te dienen, wordt nog dit jaar spoedadvies gevraagd bij de afdeling advisering van de Raad van State.’

Uitvoerbaarheid

Een woordvoerder van de Raad van State zegt dat is aangekondigd dat de twee wetsvoorstellen te verwachten zijn na de laatste ministerraad van dit jaar, op 20 december. Zowel de Raad van State als de Raad voor de rechtspraak, de beroepsorganisatie van rechters, hebben wel al naar de wetsvoorstellen kunnen kijken voor een toets op uitvoerbaarheid. Ook zij hadden hiervoor maar een week de tijd. De instanties komen volgende week met een inhoudelijke reactie.

Sinds de Vreemdelingenwet 2000 kent Nederland één status voor asielzoekers met een verblijfsvergunning, zogenoemde statushouders. In haar wetsvoorstel wil Faber terug naar de oude situatie, waarin mensen die persoonlijk worden vervolgd een A-status krijgen. Wie vlucht voor oorlog of (natuur)geweld, krijgt een tijdelijke B-status. Die beperkt bovendien de mogelijkheden voor gezinshereniging.

De NOvA liet eerder al weten, in een toets op de rechtsstatelijkheid van het regeerprogramma van het kabinet-Schoof, hiertegen grote juridische bezwaren te hebben. Het leidde in het verleden tot een vloed aan bezwaarprocedures bij immigratiedienst IND, die op dit moment al overbelast is.

EINDE

Reacties uitgeschakeld voor NOOT 47/WEES PARAAT!

Opgeslagen onder Divers

NOOT 46/WEES PARAAT!

[46]

RIJKSOVERHEID

MINISTERRAAD STEMT IN MET ASIELPLANNEN MINISTER FABER

20 DECEMBER 2024

https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/12/20/ministerraad-stemt-in-met-asielplannen-minister-faber

Nieuwsbericht | 20-12-2024 | 14:55

Minister Faber (Asiel en Migratie) heeft een omvangrijk pakket maatregelen gepresenteerd om de instroom in ons asielsysteem zoveel mogelijk te beperken. De ministerraad heeft ingestemd met verzending van de wetsvoorstellen aan de Raad van State. Faber is tevreden met deze stap op weg naar het strengste asielbeleid ooit. 

Minister Faber: “Dit is wat Nederlanders willen: een fundamentele koerswijziging in het beleid om de instroom te beperken en terugkeer te bevorderen. Ik ben blij dat de ministerraad heeft ingestemd met deze plannen.”

Asielnoodmaatregelenwet

Drie voorstellen gaan nu naar de Raad van State voor advies. De Asielnoodmaatregelenwet omvat onder meer de afschaffing van permanente verblijfsvergunningen, beperking van de geldigheidsduur van asielvergunningen tot drie jaar, verruiming van de ongewenstverklaring, beperking van nareis tot kerngezinnen en maatregelen om asielprocedures efficiënter te maken.

Tweestatusstelsel

Daarnaast stelt Faber een zogenoemd tweestatusstelsel voor. Het wetsvoorstel maakt onderscheid tussen vluchtelingen en mensen die op andere gronden bescherming krijgen. Dit geeft extra mogelijkheden om de instroom van nareizigers van mensen in die tweede groep te verlagen. 

Een grote groep mensen wacht momenteel in het buitenland om naar Nederland te komen. Dit wetsvoorstel zal voor een deel van deze groep bij de gezinshereniging meer voorwaarden stellen, zoals een wachttijd, de beschikking over huisvesting en inkomen.

Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring

Tenslotte gaat de Raad van State zich buigen over een wijziging bij het wetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring. Dit wetsvoorstel regelt onder meer dat niet meewerken aan uitzetting strafbaar wordt en dat het onderscheid tussen strafrechtelijk gedetineerden en vreemdelingenbewaring scherper wordt afgebakend. Tevens geeft deze wet meer bevoegdheden aan de uitvoeringsorganisaties om gegevens te delen die helpen om de herkomst van vreemdelingen vast te stellen, opdat ze kunnen worden teruggestuurd.

Eerdere maatregelen

Eerder heeft minister Faber al maatregelen genomen of aangekondigd, zoals de invoering van grenscontroles, uitbreiding van de mogelijkheden om criminele vreemdelingen uit te zetten, een opt-out bij toekomstige wijzigingen in Europese asielverdragen en beëindiging van de Landelijke vreemdelingen voorziening per 1 januari 2025. 

Duidelijk signaal

Minister Faber: “Al deze maatregelen samen geven een duidelijk signaal af. Dit kabinet koerst op het strengste asielregime en de strengste toelatingseisen ooit. Het kabinet verwacht dat dergelijke maatregelen zullen bijdragen aan vermindering van de instroom en tevens een positief effect hebben op terugkeer. Daarbij gaat het om vreemdelingen die geen recht hebben op verblijf en vreemdelingen die terug kunnen wanneer de veiligheidssituatie in hun land van herkomst verbetert. Door minder instroom en meer terugkeer neemt ook de druk af op IND en asielopvang, en daarmee de druk op huisvesting, zorg en onderwijs.”

Documenten

Zie ook

Verantwoordelijk

RIJKSOVERHEID

MINISTERRAAD: GROEN LICHT VOOR ASIELPLANNEN

MINISTER FABER

7 MAART 2025

https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2025/03/07/ministerraad-groen-licht-voor-asielplannen-minister-faber

Nieuwsbericht | 07-03-2025 | 17:00

De ministerraad heeft op voorstel van minister Faber van Asiel en Migratie ingestemd met toezending aan de Tweede Kamer van haar pakket asielbeperkende maatregelen. Het betreft de zogenoemde asielnoodmaatregelenwet en de tweestatusstelselwet. Daarmee is opnieuw een stap gezet naar invoering van het strengste asielbeleid ooit.

De ministerraad besprak het advies van de Raad van State over de plannen. Hierin worden zorgen geuit over onzekerheden bij de uitvoering. ‘Maar ik heb één zekerheid’, aldus minister Faber: ‘Zó kan het niet langer. Het hele systeem is vastgelopen, we moeten zo snel mogelijk handelen. Dit is wat Nederlanders willen: een fundamentele koerswijziging in het beleid om de instroom te beperken en terugkeer te bevorderen.’ 

Asielnoodmaatregelenwet

Minister Faber stuurde eind vorig jaar twee wetsvoorstellen naar de Raad van State voor advies. De Asielnoodmaatregelenwet omvat onder meer de afschaffing van permanente verblijfsvergunningen, beperking van de geldigheidsduur van asielvergunningen tot drie jaar, verruiming van de ongewenstverklaring, strenge voorwaarden voor nareis en maatregelen om asielprocedures efficiënter te maken.

Deze wet is door de minister aangescherpt, waar het gaat om afschaffing van de voornemenprocedure. Dat werkt verlichtend voor de IND, mits ook het bezwaar wordt afgeschaft. Deze onvolkomenheid is gerepareerd met een technische aanpassing.

De memorie van toelichting van beide wetten is ter verduidelijking aangevuld. Dat is gedaan op basis van de nader rapporten dat door de minister is opgesteld naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Ook zijn juridische vindplaatsen toegevoegd, en wordt er verwezen naar jurisprudentie. Die toevoegingen veranderen niets aan de inhoud van de wetten.

Tweestatusstelsel

Daarnaast wordt een zogenoemd tweestatusstelsel voorgesteld. Het wetsvoorstel maakt onderscheid tussen vluchtelingen en mensen die op andere gronden bescherming krijgen. Dit geeft extra mogelijkheden om de instroom van nareizigers van mensen in die tweede groep te verlagen.

Een grote groep mensen wacht momenteel in het buitenland om naar Nederland te komen. Dit wetsvoorstel zal voor een deel van deze groep bij de gezinshereniging meer voorwaarden stellen, zoals een wachttijd van twee jaar, de beschikking over huisvesting en inkomen.

Kosten

In totaal is € 115 miljoen nodig om de wetten in te voeren en uitvoerbaar te maken. Er is € 101,8 miljoen nodig voor het tweestatusstelsel, en € 13,3 miljoen voor de asielnoodmaatregelenwet. Het bedrag is hoger dan voorheen voorzien, omdat niet alleen de kosten voor de IND, maar ook die van de rechtspraak zijn meegenomen. Minister Faber: ‘Dit is een investering om op lange termijn enorm veel geld te besparen.’

Overige maatregelen

Eerder zijn al maatregelen genomen of aangekondigd, zoals de invoering van grenscontroles, uitbreiding van de mogelijkheden om criminele vreemdelingen – ook minderjarigen – uit te zetten, een opt-out bij toekomstige wijzigingen in Europese asielverdragen en beëindiging van de Landelijke Vreemdelingen Voorziening per 1 januari.

‘Duidelijk signaal’

Minister Faber: ‘Al deze maatregelen samen geven een duidelijk signaal af. Dit kabinet koerst op het strengste asielregime en de strengste toelatingseisen ooit. Het kabinet verwacht dat deze maatregelen bijdragen aan vermindering van de instroom en tevens een positief effect hebben op terugkeer. Daarbij gaat het om vreemdelingen die geen recht hebben op verblijf en vreemdelingen die terug kunnen wanneer de veiligheidssituatie in hun land van herkomst verbetert. Door minder instroom en meer terugkeer neemt ook de druk af op de asielopvang en de asielketen, en daarmee de druk op huisvesting, zorg en onderwijs.’

Zie ook

Verantwoordelijk

NOS

KABINET ACCOORD MET DRIE NIEUWE ASIELWETTEN, NU

JURIDISCH ADVIES GEVRAAGD

20 DECEMBER 2024

https://nos.nl/artikel/2549040-kabinet-akkoord-met-drie-nieuwe-asielwetten-nu-juridisch-advies-gevraagd

Het kabinet is officieel akkoord gegaan met drie asielwetten van minister Faber van Asiel en Migratie. Nu gaat de Raad van State, de onafhankelijk adviseur van het kabinet, kijken of deze strengere asielwetten ook uitgevoerd kunnen worden en juridisch deugdelijk in elkaar zitten.

Rond half februari wordt het advies van de Raad van State verwacht en dan wordt helder of minister Faber alsnog haar voorstellen moet aanpassen. De PVV-minister heeft het vertrouwen dat haar plannen doorgaan. “Maar als de Raad van State kritiek heeft, gaan mijn juristen en ik voortvarend aan de slag. Want er moet iets gebeuren.”

Effect

Eind oktober kondigde Schoof al een strenger asielbeleid aan en zei dat Faber zo snel mogelijk met een uitgewerkt plan zou komen. Het was dinsdag al duidelijk dat behalve de PVV-bewindslieden ook bewindslieden van de VVD, BBB en NSC zich konden vinden in de plannen om de instroom van asielzoekers zoveel mogelijk te beperken.

Minister Faber zegt vandaag blij te zijn dat ze nu verder kan. Ze verwacht ook dat haar plannen effect zullen hebben. “Dit is wat Nederlanders willen: een fundamentele koerswijziging in het beleid om de instroom te beperken en de terugkeer te bevorderen.”

De drie wetsvoorstellen van minister Faber

1) De asielnoodmaatregelenwet met onder andere:

  • afschaffen van permanente verblijfsvergunningen
  • Asielvergunning 3 jaar geldig, in plaats van 5
  • verruiming ongewenstverklaring
  • beperking nareis tot kerngezinnen

2) Tweestatusstelsel:

  • Onderscheid tussen mensen die vluchten voor gevaar vanwege etniciteit, seksuele geaardheid of religie, en mensen die vluchten voor oorlog en (natuur)geweld. Nu bestaat dat onderscheid niet

3) Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring:

  • Strafbaar maken als mensen niet meewerken aan uitzetting

De maatregelen komen in de plaats van het omstreden staatsnoodrecht, dat het kabinet eerder wilde. Regeringspartij NSC had dermate grote bezwaren tegen dit staatsnoodrecht dat de PVV bereid was het over een andere boeg te gooien.

PVV-partijleider Wilders vindt overigens dat de partij genoeg compromissen heeft gesloten en wil niet dat de vandaag gepresenteerde plannen van Faber verder worden afgezwakt.

Er zijn trouwens grote zorgen bij hogere rechtsorganen over de vandaag gepresenteerde asielwetten. De Raad van State en de Raad voor de Rechtspraak vrezen een zeer grote extra belasting voor de rechtbanken en de Immigratie- en Naturalisatiedienst, hebben ze al laten weten.

Faber heeft ondanks deze kritiek geen aanpassingen gedaan. Ze erkent dat er extra belasting zal komen bij rechtbanken en de IND. “Maar alle begin is moeilijk, nu loopt het ook vast.”

EINDE

TROUW

DE ECHTE IMPACT VAN FABERS ASIELWETTEN RAAKT ONDERGESNEEUWD

2 MAART 2025

https://www.trouw.nl/politiek/de-echte-impact-van-fabers-asielwetten-raakt-ondergesneeuwd~b3373604c

Als de asielwetten van Marjolein Faber ongewijzigd worden aangenomen, hebben die ook betrekking op lopende asielaanvragen. Daarmee kan de rechtszekerheid van tienduizenden asielzoekers op de tocht komen te staan.

De fundamentele rechten van tienduizenden asielzoekers worden mogelijk aangetast als de asielwetten van asielminister Marjolein Faber (PVV) ongewijzigd worden aangenomen. Toch hoor je er in Den Haag bijna niemand over. “Het is een heel fundamenteel punt”, zegt asieladvocaat Wil Eikelboom, “wij zijn van dit element in de wetgeving erg geschrokken”.

Eikelboom wijst op het feit dat de asielwetten van Faber ‘onmiddellijk’ in werking treden zodra ze met een meerderheid in beide kamers zijn aangenomen. Dit betekent dat vanaf dat moment de nieuwe regels ook van toepassing zijn op lopende aanvragen. “Je verandert de spelregels tijdens het spel”, legt asielexpert Myrthe Wijnkoop van VluchtelingenWerk uit, “terwijl het gaat om de levens van mensen”.

Raad van State adviseert overgangsregeling

In de praktijk kan dit betekenen dat iemand die door de vastgelopen asielprocedures al maandenlang is gescheiden van zijn vrouw en kinderen, van de ene op de andere dag te horen krijgt dat het niet meer mogelijk is hen naar Nederland te laten komen vanwege nieuwe strengere regels. Eikelboom voorziet ‘een enorm humanitair drama’.

Ook de Raad van State was hierover begin februari zeer kritisch. Het adviesorgaan van de overheid waarschuwde minister Faber dat het direct in werking treden van de wetten de rechtszekerheid van vluchtelingen aantast en kan leiden tot ongelijke behandeling. Het advies is daarom: zorg voor een overgangsregeling.

Het is hoogst onzeker of Faber dit advies ter harte zal nemen. Eerder liet de asielminister weten ‘geen punt of komma’ te willen wijzigen. Later schreef Faber in een Kamerbrief de adviezen toch te bestuderen. Deze week deelt de asielminister het inhoudelijke rapport dat haar ambtenaren schreven over de adviezen van de Raad van State met de ministerraad.

Discussie over uitvoerbaarheid

Onduidelijk is waarop het inhoudelijke rapport zich zal richten. In de Tweede Kamer en de media ging het de afgelopen weken vooral over de ‘problemen met de uitvoerbaarheid’, waarvoor de Raad van State waarschuwt, omdat de asielwetten van Faber mogelijk averechts werken en procedures zich opstapelen.

Het ging daarom vooral over de vraag of er extra geld naar uitvoeringsorganisaties moet. Over de onderliggende maatregelen werd nauwelijks gesproken, tot onvrede van Wijnkoop. “Het lijkt wel of we over de veel fundamentelere gesprekken zijn heengestapt.”

Dit terwijl de gevolgen groot zijn voor een aanzienlijk aantal asielzoekers. Op dit moment wachten ruim 45.000 mensen op de behandeling van hun eerste asielaanvraag. Deze cijfers zijn een momentopname. Na behandeling van de wetten kunnen de aantallen anders zijn, maar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) slaagt er op dit moment niet in om de achterstanden weg te werken.

Daarnaast staan nog eens ruim 66.000 aanvragen open voor gezinshereniging. Als het aan Faber ligt, wordt het voor veel van deze vluchtelingen praktisch onmogelijk om hun gezin te laten overkomen. Zo moeten vreemdelingen bijvoorbeeld eerst twee jaar wachten én over een eigen woning en voldoende geld beschikken.

Beginselen van goed bestuur

Eikelboom noemt het ‘hoogst ongebruikelijk’ dat de wetgever voor deze mensen geen gebruik maakt van het overgangsrecht. Als voorbeeld verwijst hij naar het Europese migratiepact, waarin staat dat de nieuwe regels pas gaan gelden voor nieuwe aanvragen die na 12 juni worden ingediend. “Dit is bij uitstek een kwestie van goed bestuur”, zegt Eikelboom. Hij noemt het een fundamenteel besluit dat boven asiel uitstijgt: “Je moet asielzoekers niet anders behandelen dan andere mensen”.

Eikelboom en Wijnkoop richten zich daarom met hun zorgen tot NSC, de partij die zegt de rechtsstaat hoog in het vaandel te hebben staan. “Ik ben benieuwd wat ministers aan de NSC-zijde gaan doen”, zegt Wijnkoop.

Op dit moment houden de coalitiepartijen hun kaarten tegen de borst over de kritiek van de Raad van State. Bij NSC bestaan zorgen over de directe inwerkingtreding van de wetten, maar de partij zegt verder niet te willen reageren op specifieke onderdelen zolang de gesprekken lopen.

Geen ‘excuus’ voor vertraging

Zeker is dat de PVV zo snel mogelijk ‘het strengste asielbeleid ooit’ wil invoeren. Eerder deed de partij een poging om via het noodrecht maatregelen af te dwingen. PVV-leider Geert Wilders eist bovendien dat er niks aan de wetten verandert.

Ook BBB-Kamerlid Claudia van Zanten vindt dat de hervormingen geen ‘excuus’ mogen zijn om de noodzakelijke asielmaatregelen te vertragen. Van Zanten zegt dat de IND nu ruim op tijd weet dat de geplande hervormingen eraan komen, waardoor de organisatie voldoende tijd heeft om zich voor te bereiden. Een geluid dat ook op het ministerie te horen is.

Volgens Eikelboom werkt dat in de praktijk niet zo. “Pas als iets wettelijk vaststaat, dan kun je er beroep op doen. Je kunt daarom niet zeggen dat je er nu al rekening mee moet houden.” Bovendien, zegt de asieladvocaat, “lopen er nu nog aanvragen van mensen die asiel aanvroegen voordat er überhaupt verkiezingen waren”.

EINDE

Reacties uitgeschakeld voor NOOT 46/WEES PARAAT!

Opgeslagen onder Divers